Alexander Booleman, geboren op 25 juni 1873 te Amsterdam. Zijn vader is Mozes Booleman en zijn moeder Betje Booleman-Barends. Hij groeit op in de Von Zesenstraat 53. Na zijn opleiding werkt hij als diamantbewerker. Hij is lid van de ANDB, de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond. Voor de oorlog woont hij in de Jekerstraat 32. Hij heeft enkele jaren, vanaf 1937, beroepshalve in Antwerpen gewoond (op de Anth. van Dijckstraat 46). Vanaf juni 1940 woont hij op de Van Eeghenstraat 63 huis, in Amsterdam-Zuid. Voor de deur is een stolpersteine (struikelsteen) geplaatst. Hij wordt lid van VAS in 1929, op 46-jarige leeftijd. Hij schrijft ook: Sombere levens (1907), Broze naturen: roman (1911), Verdoemenis: het leven van een speler (1931), brieven aan o.a. Albert Verwey (1905) en Benno Jules Stokvis (1918-1920) en het essay: De Kunstenaar in de Crisis in het tijdschrift Links Richten (1933). Dit essay bevat een scherpe maatschappijkritiek vanuit socialistisch perspectief op de positie van de kunstenaar in de crisisjaren.
Hij is getrouwd met Celina Booleman-Coronel (geboren 11 maart 1872), op 25 januari 1894 te Amsterdam. Ze krijgen 4 kinderen. Hun eerste dochter Betje overlijdt binnen een jaar na de geboorte. Hun zoon Max wordt vermoord in Neuengamme in het voorjaar van 1942. Hun dochters, Esther en Betsy (Bep), overleven de oorlog.
Samen met Celina wordt hij vanuit kamp Westerbork gedeporteerd naar Auschwitz, op 18 september 1942. Bij aankomst worden ze vermoord, op 21 september 1942. Hartog Goldsmit maakt eveneens deel uit van dit transport; ook hij wordt vermoord direct na aankomst.

Bronnen: Oorlogsbronnen.nl | Partij verloren… Gedenkboek ter herinnering aan de schakers in Nederland die tijdens de bezetting zijn omgekomen. (Eggink & Schelfhout) | Joods Monument |
Terug naar overzichtspagina
