De Blokkade geslecht
Proloog — De stad versnelt
Amsterdam, begin jaren zeventig van de negentiende eeuw.
De stad veranderde zonder dat men het dagelijks merkte. Nieuwe ondernemingen verschenen, oude verdwenen, en het geld dat vroeger langzaam van hand wisselde begon sneller te circuleren. De beurs werd drukker, de kades voller, de gesprekken korter. Met de stad veranderden ook de verenigingen. Sommige groeiden mee met de nieuwe tijd; andere bleven wat zij altijd waren geweest: degelijk, zorgvuldig bestuurd, maar trager.
In het schaakleven bestonden beide werelden naast elkaar.
Het Amsterdamsch Schaakgenootschap (AS), opgericht in 1822, droeg het gewicht van traditie en sociëteitscultuur.
De jongere vereniging La Bourdonnais, opgericht in 1856, was competitiever, energieker en trok een nieuwe generatie spelers.
Uit de spanning tussen deze werelden ontstond een conflict dat niet luidruchtig was maar hardnekkig: het conflict tussen behoud en beweging.
I — Het Damrak
Het gebouw aan het Damrak stond als een overtuiging uit steen. Hier vergaderde het AS. Hier werd gespeeld, gerekend, genotuleerd.
Ter Haar hield van zulke gebouwen. Hij was penningmeester en beschouwde zijn functie als een vorm van bewaking. Hij had zich langzaam opgewerkt, van buiten gekomen, zich binnengewerkt met nauwkeurigheid en geduld. Zolang hij de boeken beheerde, bestond de orde — en zolang de orde bestond, telde hij mee.
Aan de overzijde van de tafel zat De Lelie. Hij kwam uit de nieuwe stedelijke middenklasse, bewoog zich op de beurs en kende de opkomende industriëlen. Hij sprak weinig, maar wanneer hij sprak, luisterde men. Hij sprak niet over wat bestond, maar over wat nodig werd.
Ter Haar vertrouwde mannen die telden. Hij wantrouwde mannen die vooruit dachten.
II — Twee verenigingen
Amsterdam kende twee schaakwerelden.
Het traditionele AS en het competitievere La Bourdonnais, waar De Lelie bestuurder was. In die rol zag hij hoe organisatie en ambitie groei konden brengen: vaste speeltijden, wedstrijden, ontmoetingen tussen sterke spelers.
Voor hem was de conclusie eenvoudig: Amsterdam had één sterk schaakcentrum nodig.
In 1873 werd fusie besproken. De meerderheid stond positief tegenover het idee. Maar uitvoering lag bij het bestuur — en daar zat Ter Haar, samen met Tresling en mr. Van der Linde. Zij stelden vragen, vroegen om formuleringen, inventarissen, juridische duidelijkheid. De fusie werd niet afgewezen. Zij werd vertraagd.
Jarenlang.
III — Pinédo
Pinédo behoorde tot de leden die de stagnatie het scherpst voelden. Hij was geen revolutionair, geen man van grote toespraken, maar hij zag hoe spelers langzaam hun belangstelling verloren wanneer plannen telkens bleven hangen.
“Wij verliezen tijd,” zei hij tijdens een vergadering.
Ter Haar antwoordde koel: “Wij winnen zekerheid.”
Pinédo probeerde de fusie binnen het bestuur vooruit te helpen, zocht compromissen, stelde voorstellen op. Langzaam begreep hij dat de impasse niet zou verdwijnen door discussie alleen.
IV — Van ’t Kruijs
Maarten van ’t Kruijs liep vaak langs de Amstel naar de stad. Turfhandelaar, organist, en een van de sterkste schakers van zijn tijd. Hij had weinig belangstelling voor bestuurszaken. Het maakte hem niet uit onder welke naam een vereniging speelde. Hij wilde partijen — sterke partijen.
Wanneer hij in een speelzaal verscheen, veranderde de sfeer. Gesprekken verstomden, borden werden vrijgemaakt. Niet omdat hij sociaal belangrijk was, maar omdat hij op het bord belangrijk was.
Voor sommigen werd hij het levende bewijs dat het schaakspel zelf sterker was dan de verdeeldheid tussen verenigingen.
V — Verandering
In de jaren zeventig veranderde Amsterdam zichtbaar. Nieuwe generaties wilden competitie, toernooien, ontmoetingen. La Bourdonnais groeide. Het AS stagneerde.
Toen het AS rond 1877 zijn vaste ruimte aan het Damrak moest verlaten en bijeenkwam in Zeemanshoop, werd zichtbaar dat de oude structuur wankelde. Voor Ter Haar voelde het als een vernedering. Voor De Lelie als bevestiging dat reorganisatie noodzakelijk was.
VI — De impasse
Het fusiebesluit bestond, maar gebeurde niet. Ter Haar zei nooit “nee”. Hij zei: “nog niet”. En “nog niet” werd een instrument van macht.
Pinédo zag het en wist dat het bestuur zichzelf gevangen hield in procedures. De Lelie begreep dat de oplossing niet door debat alleen zou komen.
VII — De doorbraak (1878)
In 1878 richtte een groep leden het Nieuw Amsterdamsch Schaakgenootschap op. Pinédo behoorde tot degenen die de overstap maakten. Kort daarna fuseerde deze nieuwe vereniging met La Bourdonnais, waarvan De Lelie mede-bestuurder was. Zo ontstond het Vereenigd Amsterdamsch Schaakgenootschap (VAS).
Wat jarenlang had stilgestaan, kwam plotseling in beweging. Toernooien werden georganiseerd, sterke spelers samengebracht, en het schaakleven van Amsterdam kreeg een centrum dat aansloot bij de groei van de stad.
De blokkade was doorbroken.
VIII — De Van Foreesten
De naam Van Foreest begon in deze jaren steeds vaker te klinken in het Amsterdamse schaakleven. Nog vóór de fusieperiode waren leden van de familie zichtbaar in wedstrijden en ontmoetingen in en rond de stad. Zij behoorden tot een nieuwe generatie spelers die minder gebonden was aan sociëteitsvormen en meer aan het spel zelf.
De oudste van hen trad in 1878, op achttienjarige leeftijd, toe tot het pas gevormde Vereenigd Amsterdamsch Schaakgenootschap. Vrijwel onmiddellijk werd duidelijk dat hier een uitzonderlijk talent was verschenen: nog in zijn eerste jaar veroverde Dirk het clubkampioenschap. Het succes werkte als een signaal. Het toonde dat de nieuwe vereniging niet alleen organisatorisch sterker werd, maar ook een centrum van schaakkracht kon zijn.
Voor bestuurders als De Lelie betekende dit een bevestiging van hun overtuiging dat concentratie van spelers noodzakelijk was om het niveau van het spel te verhogen. Voor Ter Haar daarentegen onderstreepte het hoe snel de aandacht zich van het oude genootschap naar de nieuwe vereniging verplaatste. Talent zocht het centrum waar het spel het sterkst werd gespeeld, en dat centrum verschoof zichtbaar.
Zo werden de jonge Van Foreesten, nog vóór zij bestuurlijk invloed kregen, symbolen van de richting waarin het Amsterdamse schaakleven zich bewoog: weg van versnippering, naar concentratie van kracht rond één vereniging.
IX — Ter Haar
Voor Ter Haar voelde het anders. Hij had jarenlang de vereniging bewaakt en zag nu hoe de verandering zonder hem was gerealiseerd. De partij was niet tegen hem gewonnen; zij was om hem heen gespeeld. Van het Amsterdamsch Schaakgenootschap is nadien niets meer vernomen.
Ter Haar werd actief in de schaakbond, schreef artikelen en verrichtte bestuurstaken. Maar in zijn toon lag een koele afstand. Zijn bitterheid was stil en nauwkeurig, zoals zijn administratie altijd was geweest.
X — De Lelie
De Lelie zag de fusie niet als triomf maar als noodzakelijke reorganisatie. Hij bleef werken aan de opbouw van het nieuwe genootschap, organiseerde wedstrijden en bracht spelers samen. Hij bouwde zonder lawaai, overtuigd dat concentratie van krachten het schaakleven sterker maakte.
Epiloog — Het bord
Jaren later herinnerde men zich 1878 als een keerpunt. Het Amsterdamse schaakleven groeide en organiseerde toernooien die spelers uit het hele land aantrokken.
Ter Haar zette soms nog een schaakbord klaar en speelde langzaam, bedachtzaam. Hij dacht dat iedere partij dezelfde les bevatte:
Sommige mannen bewaren wat bestaat.
Andere mannen bouwen wat nodig wordt.
De partij heeft beide nodig —
maar zij wordt gewonnen door degene die beweegt.
Naschrift — Historische toelichting
Het Amsterdamsch Schaakgenootschap (1822) was lange tijd het centrum van het Amsterdamse schaakleven en had een sociëteitskarakter met een schaakcentrum aan het Damrak.
De vereniging La Bourdonnais (1856) ontwikkelde zich meer als competitieve schaakvereniging.
Reeds in 1873 werd binnen het Amsterdamsch Schaakgenootschap een fusiebesluit genomen om tot samengaan met La Bourdonnais te komen. Door bestuurlijke en organisatorische vertraging werd dit besluit echter jarenlang niet uitgevoerd, waardoor een situatie ontstond waarin de formele beslissing bestond, maar de praktische uitvoering uitbleef.
Nadat het AS in 1877 zijn vaste locatie moest verlaten en bijeenkwam in Zeemanshoop, werd de situatie urgenter. In 1878 werd het Nieuw Amsterdamsch Schaakgenootschap opgericht, dat nog datzelfde jaar fuseerde met La Bourdonnais tot het Vereenigd Amsterdamsch Schaakgenootschap (VAS).
Hoewel de fusie juridisch via deze constructie tot stand kwam, wordt het VAS historisch beschouwd als de rechtmatige voortzetting van het Amsterdamsch Schaakgenootschap (1822), aangezien een belangrijk deel van de leden, tradities en bezittingen — waaronder de schaakbibliotheek — in de nieuwe vereniging werd voortgezet.
