Het vlaggetje van Meijer

De schaakklok is een onverbiddelijk ding.

Zij wacht.
Zij tikt.
Zij veroordeelt.

Maar ooit had zij een gebrek.

Men kon zien hoeveel tijd er nog was.
Men kon niet zien wanneer zij gestorven was.

Dat gebrek zou worden opgelost door een man uit Puttershoek.

Ons erelid Hendrik Diderik Bernhard Meijer werd geboren als zoon van een schoolmeester.

Een dorp. Wind over het land. Een huis waar arbeid vanzelf sprak. De jongen leerde vroeg rekenen, wegen, vergelijken. Verhoudingen werden zijn tweede natuur.

Hij ging de handel in. Hij werkte hard. De zaken groeiden.

Het leven behandelde hem niet slecht. Hij trouwde, kreeg kinderen, en toen zijn onderneming groter werd dan zijn dorp, deed hij wat ambitieus volk in die tijd deed.

Hij ging naar Amsterdam.

Daar wachtte hem een tweede wereld.

Het schaakspel.

In Amsterdam sloot Meijer zich aan bij het
Vereenigd Amsterdamsch Schaakgenootschap.

Hij speelde goed. Niet briljant, maar degelijk. Toch lag zijn ware kracht niet in de zet, maar in het systeem. Hij zag patronen waar anderen alleen stukken zagen.

De schaakwereld had mensen nodig die orde brachten.

Meijer werd zo iemand.

Hij ging zich inzetten voor de
Nederlandse Schaakbond.

Secretaris.
Penningmeester.
Wedstrijdleider.

Hij schreef brieven naar Duitsland. Naar Engeland. Naar België. Hij bezocht congressen, sprak met meesters, bouwde langzaam een netwerk.

De schaakwereld kende hem.

Niet als sterspeler.
Maar als man die dingen liet gebeuren.

Een plan

In die jaren had Nederland nog nauwelijks internationale schaakwedstrijden gezien.

Dat moest veranderen.

Meijer en zijn kring rond het VAS besloten een risico te nemen.

Amsterdam moest een internationaal toernooi krijgen.

Het gebeurde in 1889.

Het Het Amsterdam 1889 Chess Tournament.

Voor het eerst kwamen grote namen naar Nederland.

Amos Burn.
James Mason.
Isidor Gunsberg.

En een jonge Duitser.

Een student nog.

Emanuel Lasker.

Hij kwam kijken of hij het niveau aankon.

Hij bleek sterker dan velen hadden gedacht.

De stad

Het toernooi speelde zich af op een klein toneel.

De speelzaal: De Roode Leeuw op de Vijgendam.
De slaapplaatsen: Krasnapolsky.
De diners: Dam en Kalverstraat.

Binnen een paar straten voltrok zich een internationale schaakwereld.

Nederlandse spelers kwamen van ver om te kijken. Dagelijks stonden tientallen mannen rond de borden. Sommigen zwegen. Sommigen fluisterden varianten.

Na afloop analyse. Daarna soms een simultaan. Het publiek betaalde graag om tegen een meester te verliezen.

De sfeer bleef goed. Geen ruzie, geen schandalen.

Een klein wonder.

Het VAS had met weinig geld iets groots tot stand gebracht.

Maar één ding stoorde Meijer.

De klok

Sinds het toernooi van
London 1883 chess tournament
gebruikte men schaakklokken.

Twee uurwerken.
Een knop.
Tijdcontrole.

Maar de wijzer was verraderlijk.

Wanneer was de tijd precies voorbij?

De wijzer stond op het uur. Of net erover. Spelers protesteerden. Arbiters bogen zich over het glas. Twijfel bleef.

Voor Meijer was twijfel een fout in het systeem.

En fouten moesten worden verwijderd.

Het idee

Hij dacht na.

De oplossing kwam plotseling en was eenvoudig.

Te eenvoudig bijna.

Boven de wijzerplaat moest een klein metalen vlaggetje komen.

Zolang er tijd was stond het rechtop.

Maar wanneer de laatste seconde voorbij was —

viel het.

Onmiskenbaar.

De tijd was voorbij.

Niet vermoed. Niet betwijfeld.

Zichtbaar.

De val

In Amsterdam 1889 bestond het idee al.

Maar de klokkenmakers moesten het nog bouwen. Het vlaggetje zou pas later verschijnen.

Tien jaar later.

Bij een groot toernooi in Den Haag.

Daar viel het voor het eerst.

Een klein stukje metaal dat kantelde — en een discussie beëindigde.

Het zou de hele schaakwereld veroveren.

De man daarna

In 1903 verhuisde Meijer naar Hilversum.

Hij werd lid van het
Hilversums Schaakgenootschap.

Daar werd hij meerdere keren clubkampioen.

Hij bleef nog enkele jaren bestuurder van de schaakbond. Organiseerde wedstrijden tussen Engelse en Nederlandse clubs.

En wanneer hij zelf speelde had hij een voorkeur.

Niet voor een mooi mat.

Maar voor een andere overwinning.

Hij keek naar de klok.

En wachtte.

Tot het kleine vlaggetje viel.

Hij werd drieënzeventig.

Zijn naam staat niet tussen de wereldkampioenen.

Maar overal waar schaakklokken tikken, hangt nog steeds zijn idee.

Een klein vlaggetje.

Dat valt.

Wanneer de tijd voorbij is

 

Op de uitgelichte foto: Bondswedstrijd in Utrecht (1897). Staand v.l.n.r.: Van der Meulen, Leussen, onbekend, Meiners, Benima, Strick van Linschoten, Esser, D.Bleijkmans, Speet, A. Bleijkmans. Zittend v.l.n.r.: Wieling, Westendorp Boersma, Loman, onbekend, Van Rhijn, H.D.B. Meijer, Olland, Ten Tusschedé, onbekend.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *