Martinus Gerardus Stokvis (1836–1921)

Martinus Gerardus Stokvis

Er zijn mensen die geschiedenis schrijven en er zijn mensen die ervoor zorgen dat de geschiedenis überhaupt kan plaatsvinden. De eersten krijgen standbeelden. De laatsten verdwijnen meestal uit het geheugen. Martinus Gerardus Stokvis behoorde onmiskenbaar tot die tweede categorie.

Wie vandaag het Rijksmuseum bezoekt, kijkt omhoog naar Cuypers. Terecht. Maar ergens onder die gewelven liep ook een kleine man met een forse snor en indrukwekkende bakkebaarden. Geen architect, geen minister, geen kunstenaar. Een timmermansbaas. Een onderbaas, zoals dat toen heette. Martinus Gerardus Stokvis gaf dagelijks leiding aan tientallen werklieden die steen voor steen het nieuwe Rijksmuseum optrokken. Hij was niet degene die de lijnen tekende, maar wel degene die ervoor zorgde dat de lijnen werkelijkheid werden.

Op 13 juli 1885 werd het Rijksmuseum geopend. Achter de ministers, notabelen en architect Pierre Cuypers verscheen een stoet werklieden uit alle ambachten. Vooraan liep timmermansbaas Stokvis. Hij droeg een zwarte jas; achter hem stonden metselaars, timmerlieden, steenhouwers en andere vaklieden in hun werkpakken, sommigen met hun gereedschap bij zich.

Stokvis sprak namens hen allen de architect toe. Vervolgens overhandigde hij Cuypers een perkamenten oorkonde, sierlijk beschreven en voorzien van de handtekeningen van de werklieden. Het was een mooi en ongewoon tafereel. Niet de opdrachtgever, de minister of de burgemeester bracht hulde aan de bouwmeester, maar de mensen die acht jaar lang zijn tekeningen hadden omgezet in steen, hout en smeedwerk.

Zijn woorden hadden bijna iets politieks. Stokvis prees de band van waardering en vriendschap tussen werkgever en werkman. Hij geloofde niet in het aanwakkeren van haat tegen kapitaal of eigendom, maar in samenwerking, vakmanschap en wederzijds respect. Dat klinkt tegenwoordig misschien wat braaf. In 1885, toen de sociale tegenstellingen steeds scherper werden, was het wel degelijk een standpunt.

Hij besloot met de woorden:

‘Leve de architect, zijn leven is onze voorspoed!’

Het applaus moet tot ver buiten het Museumplein te horen zijn geweest.

Het typeert Stokvis. Hij stond zelden in de schijnwerpers, maar wanneer iemand namens een groep moest spreken, keek men kennelijk zijn kant op.

Vastgelegd door Jacob Olie in een zogenaamde gemetselde wrongtrap in de Franekertoren van het Rijksmuseum.  Op de voorgrond is Johan van Tetterode, bouwkundige en medewerker van het bouwbureau van het Rijksmuseum; boven is de heer Stokvis.

Een reizende vakman

Zijn leven kende aanvankelijk weinig rust. Stokvis werd op 12 augustus 1836 geboren in Loenen aan de Vecht. Hij werd opgeleid tot timmerman en kalkmenger en reisde met het werk mee. Hij trouwde in Purmerend met Maartje Smelik; kinderen werden vervolgens geboren in onder meer Maassluis en Schiedam. De bouwplaats bepaalde waar het gezin woonde.

Dat zwervende bestaan was geen romantisch avontuur. Het was eenvoudig de manier waarop een goede vakman zijn brood verdiende. Werk lag waar gebouwd werd. Pas bij de bouw van het Rijksmuseum vestigde Stokvis zich duurzaam in Amsterdam. Hij woonde daar onder meer in de Quellijnstraat, de Govert Flinckstraat en de Da Costastraat. Voor zover nu bekend bezat hij geen eigen onroerend goed. Hij was geen bouwmagnaat, maar wat we tegenwoordig een meewerkend voorman zouden noemen: iemand die zelf het vak beheerste en tegelijk verantwoordelijk was voor anderen.

Zijn eerste echtgenote, Maartje Smelik, overleed in de jaren zeventig van de negentiende eeuw. Stokvis bleef achter als weduwnaar en hertrouwde later. Ook in zijn privéleven verliep niet alles langs een keurige rechte lijn, al was een tweede huwelijk na het overlijden van een echtgenote destijds allerminst ongewoon.

De protecteurautomatiek

Er school bovendien een uitvinder in hem.

Stokvis ontwikkelde een zogenoemde protecteurautomatiek, een inrichting die spoorwegbotsingen moest helpen voorkomen. Hoe het mechanisme precies werkte, moet nog nader worden achterhaald. Volgens de familieoverlevering werden voor de uitvinding in verschillende landen patenten verkregen. In Nederland zelf kon dat in die periode niet: tussen 1869 en 1912 kende ons land geen octrooiwet.

Dat maakt het ontbreken van een Nederlands octrooi dus niet verdacht. Wie zijn vinding wilde beschermen, moest daarvoor naar het buitenland.

De uitvinding werd kennelijk niet algemeen ingevoerd. Volgens het binnen de familie overgeleverde verhaal vonden spoorwegmaatschappijen de kosten van schadevergoedingen lager dan die van een volledig veiligheidssysteem. Stokvis zou daarop hebben gezegd:

‘Maar heren, durft gij een mensenleven in geld te schatten? Zij deden het.’

Of het gesprek precies zo is verlopen, valt moeilijk te bewijzen. Maar het verhaal bleef binnen de familie bewaard en past opmerkelijk goed bij de man die uit de andere bronnen naar voren komt. Stokvis hield van praktische oplossingen, maar zag techniek niet als een doel op zichzelf. Zij moest het leven van mensen veiliger en beter maken.

De schaker die organiseerde

In 1885 werd Stokvis lid van het Vereenigd Amsterdamsch Schaakgenootschap. Dat hij juist in dat jaar toetrad, lijkt bijna symbolisch. De bouw van het Rijksmuseum naderde haar voltooiing en kennelijk kwam er ruimte voor een tweede levenswerk.

Hij sloeg nog maar zelden een clubavond over en werd al snel bestuurder. Niet omdat hij de sterkste schaker van Amsterdam was, maar omdat hij kon organiseren. Vijfentwintig jaar lang hielp hij de vereniging dragen. Hij beheerde de kas, regelde wedstrijden, nam inschrijvingen aan, verkocht toegangskaarten en vertegenwoordigde VAS waar dat nodig was.

Wie een vereniging kent, weet dat zulke mensen onmisbaar zijn. Niemand komt speciaal naar de clubavond om de penningmeester te bewonderen. Maar wanneer die penningmeester zijn werk niet doet, merkt iedereen het onmiddellijk.

In december 1908 kreeg Stokvis een taak die goed bij hem paste. Regerend wereldkampioen Emanuel Lasker kwam naar Amsterdam voor een match tegen Abraham Speijer. Het was een van de belangrijkste schaakgebeurtenissen die de stad vóór de Eerste Wereldoorlog kende. De wereldkampioen trok publiek, de partijen werden op demonstratieborden gevolgd en rond de wedstrijd werd een uitgebreid programma georganiseerd.

Iedereen herinnerde zich later Lasker en Speijer. Maar voordat de eerste pion kon worden verplaatst, moest iemand de financiën regelen, de kaarten verkopen, de deelnemers ontvangen en ervoor zorgen dat de wereldkampioen op het juiste ogenblik in de juiste zaal verscheen.

Die iemand was Martinus Gerardus Stokvis.

Als penningmeester behoorde hij tot de kleine kring die het bezoek voorbereidde. Hij was betrokken bij de ontvangst van Lasker en Speijer en bij de praktische organisatie van de match. De wereldkampioen won met 2½–½. Stokvis speelde geen partij, maar zonder hem was er vermoedelijk weinig gespeeld.

Dat was zijn vaste rol. Steeds was hij niet de hoofdpersoon van het evenement, maar wel degene die ervoor zorgde dat het evenement slaagde.

Vele gewichtige diensten

In 1910 sprak VAS zijn dank uit. Niet met een aardige toespraak en een bos bloemen, maar met het hoogste eerbewijs dat de vereniging kon geven.

De krant schreef:

‘In de laatste vergadering van het Vereenigd Amsterdamsch Schaakgenootschap is de heer M.G. Stokvis, op grond van de vele tijdens zijn 25-jarig lidmaatschap als lid van het bestuur aan het genootschap bewezen gewichtige diensten, met algemene stemmen tot erelid benoemd.’

De formulering is veelzeggend. Er staat niet dat hij erelid werd wegens langdurige trouwe dienst. Dat klinkt al snel alsof iemand vooral lang is blijven zitten. Men sprak van vele gewichtige diensten.

En hij werd met algemene stemmen benoemd. Iedereen was het eens. Dat komt binnen een schaakvereniging minder vaak voor dan een fraai paardoffer.

Ook buiten VAS genoot Stokvis vertrouwen. Toen de Nederlandse Schaakbond in 1913 verstrikt raakte in een bestuursconflict, werd hij gevraagd een buitengewone vergadering te leiden. Niet de luidste stem of de scherpste polemist kreeg de voorzittershamer, maar Stokvis. Kennelijk vertrouwde men erop dat hij de partijen bij elkaar kon houden en de vergadering ordelijk kon laten verlopen.

Dat had hij eerder gedaan op de bouwplaats. Daar moest hij architecten, opzichters en werklieden met verschillende belangen laten samenwerken. Een schaakbond in crisis was vermoedelijk ingewikkeld, maar niet noodzakelijk ingewikkelder dan honderden bouwvakkers rond één monumentaal gebouw.

De tekenschool van zijn zoon

Ook binnen de familie bleef het bouwkundige vakmanschap bestaan.

Zijn zoon Pieter richtte aan de Bosboom Toussaintstraat 43 een Inrichting voor Teekenonderwijs in. Een bouwtekening uit 1899 toont een afzonderlijk tekenlokaal en een ruimte voor gipsmodellen. Daar konden leerlingen technisch tekenen leren, bestekken bestuderen en oefenen met bouwkundige vormen.

Het is een mooie ontwikkeling. De vader hielp gebouwen oprichten; de zoon leerde anderen hoe zij zulke gebouwen moesten tekenen.

Pieter woonde met zijn gezin boven of bij de school. Ook Martinus Gerardus was aan het adres verbonden: VAS-leden konden er bij hem kaarten voor schaakevenementen afhalen. Zijn in 1890 geboren kleinzoon kreeg eveneens de namen Martinus Gerardus. Zo leefde niet alleen het vak, maar ook de naam voort.

De oude geveltekst van de tekenschool bleef nog bijna een eeuw zichtbaar. In 1996 stond boven de winkel nog altijd: Inrichting voor Teekenonderwijs. De school was verdwenen, maar de letters weigerden dat te erkennen.

Een man die men vertrouwde

Martinus Gerardus Stokvis overleed op 27 april 1921 in Haarlem. Hij was vijfentachtig jaar oud.

Hij liet geen groot aannemersbedrijf na. Geen imposant vermogen. Geen straat die zijn naam draagt. Hij was geen beroemde architect, geen schaakmeester en voor zover nu bekend werd zijn protecteurautomatiek geen algemeen toegepast systeem.

Wat hij wel naliet, is moeilijker te meten.

Het Rijksmuseum staat er nog altijd. VAS bestaat nog altijd. En wie de oude kranten openslaat, ziet zijn naam telkens terugkeren op momenten waarop iemand nodig was die verantwoordelijkheid durfde te nemen.

Bij de voltooiing van het Rijksmuseum sprak hij namens de werklieden. Bij VAS beheerde hij een kwart eeuw de organisatie. Bij het bezoek van Lasker zorgde hij dat de wereldkampioen kon spelen. Bij de Schaakbond bracht hij rust in een bestuursconflict. En met zijn uitvinding probeerde hij te voorkomen dat mensen door een spoorwegongeluk om het leven kwamen.

Misschien is dat de werkelijke samenhang in zijn leven.

Stokvis was een verantwoordelijkheidsmens. Niet iemand die verantwoordelijkheid als een last beschouwde, maar als iets vanzelfsprekends. Hij ontleende zijn gezag niet aan bezit, afkomst of bravoure, maar aan betrouwbaarheid.

Misschien is dat uiteindelijk de mooiste vorm van onsterfelijkheid. Niet dat mensen zich je herinneren omdat je beroemd was, maar omdat zij je vertrouwden.

Martinus Gerardus Stokvis was geen grootmeester op het schaakbord en geen architect van een nationaal monument. Hij was de man die ervoor zorgde dat anderen hun werk konden doen. En misschien is dat wel een veel zeldzamere kwaliteit.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *