Tim Krabbé is Tim Krabbé
De schaker die het onmogelijke verzamelde
Er zijn schakers die een partij willen winnen. Er zijn schakers die een mooie partij willen spelen. En er zijn schakers die een zet doen omdat niemand anders op het idee zou komen. Tim Krabbé behoorde tot die laatste categorie. Dat hij ook graag won, maakte de zaak alleen maar ingewikkelder.
Ko Heins heeft er een prachtige herinnering aan bewaard.
Hun ploeg stond op het punt kampioen te worden. In de laatste wedstrijd moest Krabbé tegen een gerespecteerde tegenstander aantreden. Heins keek toe en zag tot zijn verbijstering dat Tim met Pb1-a3 opende. Een zet later speelde hij hetzelfde paard weer terug naar b1.
Heins vroeg zenuwachtig waarom hij dat deed.
‘Ach, ik vond het paard op a3 niet zo goed staan’, antwoordde Krabbé.
Het vervolg was weinig geruststellend. Krabbé kwam totaal verloren te staan. Maar met kunst- en vliegwerk wist hij de partij alsnog te redden. Remise. Het kampioenschap was binnen.
Heins vertelde het jaren later in het VAS-blad. Niet om Krabbé belachelijk te maken, integendeel. Hij bewonderde hem.
Vanaf hun eerste ontmoeting had Krabbé volgens Heins een onweerstaanbare aantrekkingskracht op hem uitgeoefend. Zijn flair, zijn aanstekelijke liefde voor het schaakspel en zijn speelsheid op alle terreinen van het leven waren in al die jaren nauwelijks veranderd.
Dat is misschien wel de beste korte karakterisering van Tim Krabbé die een clubgenoot ooit heeft gegeven.
De Henri Polaklaan
Wie in de jaren vijftig en zestig in Amsterdam wilde schaken, kon moeilijk om de Henri Polaklaan heen. Daar speelde VAS, een vereniging met een indrukwekkende geschiedenis en een eerste tiental dat tot de Nederlandse top behoorde.
Krabbé kwam er aanvankelijk via het jeugdschaak. Op zaterdag werden schoolschaakwedstrijden gehouden en Lodewijk Melchior stond aan de wieg van de jeugdclub Het Zwarte Veulen. Kwee Tjoe Liong was een andere drijvende kracht. Volgens Krabbés herinnering was het mogelijk Rein Klooker die de naam van het jonge schaakgezelschap bedacht.
Bij Het Zwarte Veulen speelden onder anderen Hans Ree, Bert Enklaar, Rob Hartoch en Piet van der Weide. Jongens die elkaar aan het schaakbord vonden en van wie sommigen later een belangrijke plaats in het Nederlandse schaakleven zouden innemen.
Begin jaren zestig werd Krabbé lid van VAS. De precieze datum wist hij bij navraag niet meer.
Maar de club zelf herinnerde hij zich nog uitstekend.
‘De Henri Polaklaan. Wedstrijdleiders Wessels en/of Melchior achter de groene tafel. Woensdagavond clubavond, plezierige sfeer. Veel sterke spelers altijd.’
Hij noemde Wolthuis, Luza en Crabbendam, en herinnerde zich ook John Bink en Tan. De oudere leden waren vriendelijk en moedigden de jongeren aan.
Volgens Krabbé was VAS in die jaren verreweg de sterkste club van Nederland. Hij herinnerde zich zelfs een periode waarin de eerste drie tientallen allemaal in de Hoofdklasse speelden, die destijds slechts acht teams telde.
Het was een omgeving waarin een jonge schaker veel kon leren. Niet alleen over het spel, maar ook over de merkwaardige mensen die er hun avonden aan besteedden.
Meer dan een schaker
In september 1961 eindigde de achttienjarige Krabbé als tweede in de hoofdklasse van het open schaakkampioenschap van Amsterdam. Hij kon uitstekend schaken en behoorde tot de talentvolle generatie die in die jaren bij VAS rondliep.
Enkele jaren behoorde hij zelfs tot de twintig sterkste schakers van Nederland. De nationale top tien bereikte hij nooit, maar dat hij tot de top twintig behoorde, mocht iedereen weten. Krabbé liet zich er destijds graag op voorstaan. En terecht. Het was een niveau waarvan de meeste clubschakers alleen konden dromen.
Toch was Krabbé nooit uitsluitend schaker.
Hij schreef gedichten, verhalen en romans. Hij was journalist, sportliefhebber, een nieuwsgierige waarnemer van de wereld en iemand die zich met grote overgave in een onderwerp kon vastbijten.
Dat alles begon niet pas nadat zijn schaakambities waren vervlogen. Het bestond naast elkaar.
In januari 1969 schreef hij voor het Nieuw Israëlitisch Weekblad een herinnering aan Jacques Davidson, een legendarische figuur uit de Amsterdamse schaakwereld. Hij vertelde daarin hoe hij Davidson in 1958 had zien spelen aan het eerste bord van de Paroollezers tegen VAS.
Later dat jaar interviewde Krabbé voor Vrij Nederland de levende tafeltennis legende Bert Onnes.
Schaken, journalistiek, literatuur en sport liepen voortdurend door elkaar. Krabbé koos niet eerst voor het een en daarna voor het ander. Hij deed het allemaal.
Dat was misschien lastig voor wie hem graag in een hokje wilde onderbrengen, maar voor Krabbé zelf leek het weinig problemen op te leveren.
De geschiedenis van VAS op papier
In 1972 vierde VAS zijn 150-jarig bestaan. Bij die gelegenheid verscheen een jubileumboekje, waarvan Tim Krabbé het leeuwendeel schreef.
Het was geen vrijblijvende bijdrage van een clublid dat toevallig aardig kon schrijven. Krabbé had zich verdiept in de geschiedenis van de vereniging en daarvoor honderden oude boekjes uit de VAS-bibliotheek geraadpleegd. Vooral de negentiende-eeuwse geschiedenis van de club kreeg zijn aandacht.
Wie tegenwoordig de geschiedenis van VAS probeert te reconstrueren, weet hoe belangrijk zulke oude publicaties zijn. Achter ogenschijnlijk onbeduidende mededelingen gaan soms hele verhalen schuil. Over vergeten spelers, verdwenen schaaklokalen, merkwaardige wedstrijden en bestuurders die hun sporen hebben nagelaten.
Het waren precies de bijzonderheden waarvoor Krabbé belangstelling had.
Dat hij zich in de geschiedenis van VAS verdiepte, past bij zijn latere werk over schaakcuriosa. Niet omdat een jubileumboekje hetzelfde is als een verzameling wonderlijke schaakstellingen, maar omdat beide voortkomen uit dezelfde nieuwsgierigheid. Wat is er werkelijk gebeurd? Wat is er nog terug te vinden? En wat heeft iedereen over het hoofd gezien?
Voor VAS was het bovendien een bijzondere bijdrage. Een van zijn bekendste leden legde een belangrijk deel van de eigen geschiedenis vast.


Omslag van het jubileumboekje ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van VAS in 1972. Tim Krabbé schreef het grootste deel van de historische tekst, waarvoor hij uitgebreid onderzoek deed in de oude VAS-bibliotheek.
De schoonheid van het onwaarschijnlijke
De meeste schaakboeken proberen hun lezers beter te leren schaken. Tim Krabbé schreef bij voorkeur over de dingen die in zulke boeken nauwelijks voorkwamen.
Onmogelijke stellingen. Bizarre zetten. Merkwaardige partijen. Eindspelstudies waarin de regels van het schaakspel tot hun uiterste grenzen werden opgerekt.
Wat anderen als curiositeit terzijde schoven, kon hem dagen, weken of jaren bezighouden.
In 1977 verscheen Nieuwe Schaakkuriosa. Het boek kreeg een opmerkelijk enthousiaste ontvangst in de Nederlandse schaakpers.
Berry Withuis, die zelden om een stevige formulering verlegen zat, schreef:
‘Tim Krabbé is schaaktechnisch min of meer een holbewoner.’
Dat klinkt niet onmiddellijk als een aanbeveling. Maar Withuis ging verder. Krabbé was volgens hem een van de weinigen die de schaakschoonheid beoefenden, en dat nog bekwaam ook.
Ook Haje Kramer, Jan Hein Donner, Max Pam en andere schaakschrijvers hadden grote waardering voor zijn werk. Het was opmerkelijk hoezeer juist sterke schakers en ervaren schaakjournalisten zijn ontdekkingen waardeerden.
Krabbé zocht niet altijd naar de beste zet, maar soms naar de zet waarvan niemand had gedacht dat hij mogelijk was. Of naar een stelling die zo vreemd was dat je haar nauwelijks kon geloven, totdat iemand aantoonde dat ze werkelijk op het bord had gestaan.
Bij navraag kon Krabbé lachen om de woorden van Withuis.
‘Haha, die Berry. Daar zit wel wat in ja. Ik was wel een beetje een voor-de-galerij speler, en dan word je niet echt goed.’
Het was de zelfspot van iemand die wel degelijk tot de sterkste schakers van het land had behoord, maar die ook wist dat zijn belangstelling voor het ongewone hem weleens punten had gekost.
Krabbé kon de verleiding van een mooie vondst moeilijk weerstaan. Ook niet wanneer een eenvoudiger, verstandiger zet waarschijnlijk meer punten had opgeleverd.
Maar wat hij als wedstrijdschaker misschien liet liggen, leverde hij als schaakauteur ruimschoots terug.
De schrijver en de wielrenner
In 1978 verscheen De renner. Het boek maakte duidelijk dat Krabbé ook over wielrennen kon schrijven zoals bijna niemand anders dat deed.
In 1984 volgde Het Gouden Ei, de novelle die uitgroeide tot een van zijn bekendste werken. Later verschenen onder meer Vertraging en De grot.
Zijn literaire werk lijkt op het eerste gezicht ver verwijderd van zijn belangstelling voor schaakcuriosa. Toch is er een verwantschap.
Krabbé hield van constructies. Van gebeurtenissen die een onverwachte betekenis krijgen. Van het detail dat aanvankelijk onbelangrijk lijkt, maar uiteindelijk alles bepaalt.
In een interview uit 1994 noemde hij zichzelf eerder een componist dan een verteller. Hij beschreef hoe hij zijn teksten bleef polijsten, schaven en schrappen.
Wie weleens een goede schaakstudie heeft bekeken, herkent iets van die werkwijze. Alles moet op zijn plaats vallen. Een overbodig stuk, een onnodige variant, een detail dat niet klopt: het kan de hele compositie bederven.
Of zijn literaire werkwijze werkelijk door het schaken is gevormd, weten we niet. Maar dat dezelfde nauwkeurigheid en dezelfde belangstelling voor het verrassende in beide werelden terugkomen, valt moeilijk te missen.
Ondertussen bleef hij schrijven over schaken. Samen met Max Pam stelde hij De Koning samen, de omvangrijke verzameling werk van Jan Hein Donner.
Vanaf 1998 bouwde hij bovendien aan zijn Engelstalige website Chess Curiosities. Daar verzamelde hij jarenlang de wonderlijkste vondsten uit de schaakgeschiedenis.
Het was een soort digitaal rariteitenkabinet, maar dan aangelegd door iemand die precies wist waar hij naar keek.
Als we niet oppassen verdwijnt de website per 1 januari 2027 uit de lucht. De provider stopt ermee.
Terug naar VAS
Krabbé kwam na het midden van de jaren zestig nog maar zelden op een gewone clubavond van VAS. Begin jaren zeventig speelde hij minder regelmatig en ging hij zich intensiever met wielrennen bezighouden.
Hij had bovendien ingezien dat zijn schaaktalent niet voldoende was om werkelijk de internationale top te bereiken.
Toch bleef de band met VAS bestaan.
In de jaren tachtig speelde hij opnieuw enige tijd teamwedstrijden voor de vereniging. En in 1994 keerde hij terug naar het schaakbord in De Rode Hen, destijds de speellocatie van VAS.
Daar werd een rapid zeskamp georganiseerd met zes spelers die allemaal jarenlang voor VAS hadden gespeeld: Hans Ree, Leon Pliester, Tim Krabbé, Willem Wolthuis, Theo van Scheltinga en Jan Wilmink.
Het waren zes schakers met een lange gezamenlijke geschiedenis. Sommigen hadden elkaar al tientallen jaren eerder aan de Henri Polaklaan ontmoet.

Hans Ree, Leon Pliester, Tim Krabbé, Willem Wolthuis, Theo van Scheltinga en Jan Wilmink tijdens een rapidzeskamp voor oud-VAS-spelers in De Rode Hen, 1994. Alle zes hadden jarenlang voor VAS gespeeld.

Hans Ree (links) en Tim Krabbé tijdens de rapidzeskamp voor oud-VAS-spelers in De Rode Hen, 1994.
Drie jaar later was Krabbé opnieuw bij VAS te vinden. De vereniging vierde in 1997 haar 175-jarig bestaan

Tim Krabbé tijdens het 175-jarig jubileum van VAS in 1997. Op de achtergrond Nicole Overmeir en een vooralsnog niet geïdentificeerde dame.
Het is een aardig beeld. De man die als jongen zoveel tijd aan de Henri Polaklaan had doorgebracht, was inmiddels een bekend schrijver geworden. Maar bij bijzondere gelegenheden schoof hij nog altijd aan tussen zijn oude schaakgenoten.
Misschien zegt dat meer over zijn verhouding tot VAS dan het aantal jaren dat hij officieel lid is geweest.
Het paard op a3
Het verhaal van Ko Heins kreeg nog een onverwacht vervolg.
Heins had zijn herinneringen opgeschreven voor het VAS-blad. Daarin vertelde hij niet alleen over die merkwaardige opening met het paard, maar vooral over zijn bewondering voor Krabbé.
En Krabbé reageerde.
In 2003 verscheen in het VAS-blad zijn bijdrage Het Arafat Gambiet, waarin hij terugkwam op de herinnering van Heins en zich opnieuw verdiepte in de merkwaardige mogelijkheden van schaakopeningen.
Dat was misschien wel het aardigste bewijs dat de oude banden nog bestonden.
Krabbé kwam al jaren nauwelijks meer op een clubavond, maar las kennelijk nog altijd wat zijn vroegere schaakgenoten schreven. En zodra er een zonderlinge schaakzet ter sprake kwam, kon hij het niet laten er iets aan toe te voegen.
Het paard dat ooit van b1 naar a3 was gegaan en onmiddellijk weer terugkeerde, had tientallen jaren later nog altijd niet zijn laatste woord gezegd.
Houtjes raak ik nog maar zelden aan
Tim Krabbé werd geen grootmeester. Dat heeft hij zelf nooit als een groot onrecht beschouwd. Hij wist dat anderen meer aanleg hadden voor het wedstrijdschaak en dat zijn eigen belangstelling zich niet gemakkelijk liet beperken tot de vraag wie er gewonnen had.
Maar zijn bijdrage aan het schaakspel laat zich niet in ratingpunten of kampioenschappen uitdrukken.
Hij liet zien dat schaken ook een wereld van schoonheid, verbeelding en onwaarschijnlijke mogelijkheden is. Een wereld waarin de vreemdste vondst soms meer indruk maakt dan een vlekkeloos gespeelde winstpartij.
En hij deed dat met een nieuwsgierigheid die hem ook als schrijver, journalist en wielrenner kenmerkte.
Bij navraag vertelde Krabbé dat het huidige schaken nog altijd intensief volgt. Hij speelt regelmatig, tegenwoordig vooral online.
‘Houtjes raak ik nog maar zelden aan.’
Het is een mooie slotzin voor iemand die zijn hele leven is blijven schaken, ook wanneer er geen houten stukken meer op tafel staan.
Tim Krabbé is Tim Krabbé. En gelukkig maar.
Uitgelichte foto: Tim Krabbé tijdens het Hoogovens Schaaktoernooi, 28 januari 1969. Foto: Jack de Nijs / Anefo, Nationaal Archief, collectie 2.24.01.05, bestand 922-0476.
Andere foto’s vrijwel zeker van John Pex
