Cornelis Tinholt

Cornelis Tinholt (1851–1934)

De man die niet kon slapen als VAS verloor

Op zaterdag 29 april 1933 werd bij het Vereenigd Amsterdamsch Schaakgenootschap een oude heer in het zonnetje gezet. Cornelis Tinholt was 81 jaar en vijftig jaar lid van de vereniging. Voor de gelegenheid organiseerde VAS een feestelijke gongwedstrijd, met bijzondere jubileumprijzen. Veel Vas leden en sympathisanten werden verwacht om hun erevoorzitter te huldigen.

Tinholt had betere schakers zien komen en gaan, wereldkampioenen ontvangen, vergaderingen geleid en ruzies uitgevochten. Hij was secretaris geweest, tweemaal voorzitter, erelid en sinds een jaar zelfs de eerste erevoorzitter in de geschiedenis van VAS.

Een groot wedstrijdschaker was hij nooit geworden. Daar maakten zijn vrienden geen geheim van en Tinholt vermoedelijk evenmin. Maar wanneer VAS won, kon hij naar eigen zeggen van plezier niet slapen. En wanneer VAS verloor, sliep hij evenmin. Dan uit ergernis.

Daarmee is Cornelis Tinholt misschien beter getypeerd dan met welke bestuurstitel ook.

Een wilde partij

Cornelis Tinholt werd op 30 december 1851 geboren op Marken, als zoon van predikant Lambert Tinholt en Marritje Dros. Zijn schaakleven begon veel eerder dan zijn lange loopbaan bij VAS.

Het eerste spoor dateert uit 1869. Tinholt was zeventien toen hij een correspondentiepartij speelde tegen J.L. van Eck. De partij verscheen in de 23ste jaargang van Sissa, bij een beschouwing over de scherpte van het Cunningham-gambiet.

Dat was niet zonder reden. Er kwam een wilde partij op het bord. Met de kennis van nu hoeft niemand er het bewijs van een verborgen jeugdtalent in te zoeken; daarvoor was het spel te onnauwkeurig en Tinholt verloor. De betekenis ligt ergens anders. Op zijn zeventiende was hij kennelijk al zo serieus met het spel bezig dat hij correspondentieschaak speelde en een van zijn partijen in Sissa terechtkwam.

Vierenzestig jaar later zou hij nog altijd midden in het schaakleven staan.

Kees

Op zaterdag 24 maart 1883 werd Tinholt lid van VAS. Onder zijn vrienden heette hij eenvoudig Kees.

Hij kwam terecht in een vereniging waarin niet alleen veel werd geschaakt, maar minstens zo hartstochtelijk werd vergaderd. De maandelijkse bijeenkomsten konden uitlopen op uitvoerige debatten over moties, tegenmoties en punten van orde. Het VAS van die jaren had soms iets van een klein parlement.

Tinholt voelde zich er thuis.

Als speler kon hij behoorlijk meekomen. Schelfhout vermeldde later dat hij in een VAS-wedstrijd van 1889–1891 een tweede prijs behaalde. In de winterwedstrijd van 1897 vinden we hem bovendien terug in de eerste klasse, in gezelschap van onder anderen jhr. A.E. van Foreest en H.D.B. Meijer.

Tot de Nederlandse schaaktop behoorde hij niet. Bij zijn veertigjarig lidmaatschap werd in 1923 zelfs zonder veel omhaal geschreven:

„Een goed speler is Tinholt nooit geweest.”

Dat was misschien wat streng. Tinholt was in ieder geval een serieuze clubschaker die zich tientallen jaren achter het bord liet zien. Maar zijn bijzondere betekenis voor het schaakleven lag inderdaad ergens anders.

Een beweeglijke natuur

Tinholt werd secretaris van VAS onder voorzitter jhr. Arnold Engelinus van Foreest. Later zou hij zelf tweemaal voorzitter worden, van 1899 tot 1901 en van 1909 tot 1914.

Daarbij was hij bepaald geen kleurloze bestuurder.

Het jubileumartikel uit 1923 spreekt over zijn „beweeglijke natuur en strijdlustigen aard”. Zodra Tinholt meende dat de belangen van VAS in het gedrang kwamen, stond hij op de bres. Zijn „slagvaardige geest” kwam vooral tijdens de beruchte maandvergaderingen tot zijn recht.

Wie hem tegenover zich kreeg, wist het.

Maar juist Tinholt maakte tijdens zijn tweede voorzitterschap een einde aan die vergadercultuur. De maandelijkse bijeenkomsten werden afgeschaft. Schelfhout kon er in 1932 nog om lachen. Sinds Tinholt dat had gedaan, schreef hij, had VAS geen leden meer voortgebracht die het tot Kamerlid hadden gebracht.

De man die in de vergaderzaal uitstekend van zich af kon bijten, besloot uiteindelijk dat er misschien beter gewoon geschaakt kon worden.

De onafscheidelijke vriend van Meijer

Tinholts belang reikte al snel verder dan de interne huishouding van VAS.

Een van de centrale figuren in het Nederlandse schaakleven was H.D.B. Meijer, ook bekend als Hadjeb. Meijer organiseerde, schreef en bracht schakers bij elkaar. Bij veel van zijn initiatieven stond Tinholt naast hem.

Bij Tinholts veertigjarig jubileum werd hij zelfs beschreven als Meijers „onafscheidelijken vriend Kees”. Samen hielpen zij talrijke schaakwedstrijden tot stand brengen.

Ook voor de Nederlandsche Schaakbond verrichtte Tinholt veel werk. Hij zat in commissies, controleerde rekeningen, maakte deel uit van de redactie van het bondstijdschrift en mengde zich in soms ingewikkelde bestuurlijke kwesties. Volgens zijn tijdgenoten deed hij bovendien veel dat nauwelijks in notulen terechtkwam: werk „achter de coulissen — ook onofficieel”.

Daar lag zijn talent.

Tinholt was niet de man die internationale meesters aan het bord versloeg. Hij was een van de mannen die ervoor zorgden dat die meesters naar Amsterdam kwamen.

De lieve dubbeltjes

Dat Tinholt zich ook buiten de vergaderzaal behoorlijk kon laten gelden, bleek in 1898. Wereldkampioen Emanuel Lasker zou Nederland bezoeken, maar de onderhandelingen over de financiële voorwaarden verliepen moeizaam.

Tinholt, destijds secretaris van VAS, ergerde zich aan de verlangens van de wereldkampioen en diens vertegenwoordiger Sigmund Weiser. In het Tijdschrift van den Nederlandschen Schaakbond schreef hij een spottend artikel onder de titel De poëzie van het schaakspel en „de lieve dubbeltjes”.

Het begon opgewekt:

„Zeg, Amice! Heb je ’t gehoord? Lasker komt!”

Maar al snel werd duidelijk wat Tinholt dwarszat. Hij vond dat Lasker buitensporige financiële eisen stelde. Met zichtbaar plezier maakte hij grappen over de wereldkampioen, die kennelijk niet alleen van zijn koning hield, maar ook van zijn dubbeltjes.

Het bleef niet bij een eenzijdige aanval. Dr. A. van Rhijn uit Leiden nam het voor Lasker op. Waarom zou een schaakmeester zich niet, net als andere beroepsbeoefenaren, behoorlijk mogen laten betalen? Bovendien vond Van Rhijn dat Tinholt slechts een onvolledig beeld van de correspondentie gaf en Lasker onvoldoende naar waarde schatte.

De polemiek was fel. Tinholt was niet iemand die zijn woorden zorgvuldig afwoog om iedereen te vriend te houden.

Toch zou hij Lasker later met veel waardering toespreken. Het is een aardige tegenstelling. Tinholt kon zich ergeren aan de zakelijke verlangens van de wereldkampioen, zonder zijn bewondering voor diens schaakkwaliteiten te verliezen.

Een vriend uit duizend

De vriendschap tussen Tinholt en Meijer werd tijdens de bestuurlijke verwikkelingen binnen de Nederlandsche Schaakbond op de proef gesteld.

Rond 1908 probeerden de bestaande Nederlandsche Schaakbond en de Nieuwe Nederlandsche Schaakbond tot een samensmelting te komen. De discussies waren ingewikkeld en soms buitengewoon fel. Oude tegenstellingen speelden daarbij een belangrijke rol.

Tijdens de bestuursverkiezingen stelde Tinholt zijn vriend H.D.B. Meijer kandidaat voor het secretariaat van de Bond. Dat voorstel stuitte op verzet van dr. A. van Rhijn, die zelfs dreigde zijn voorzitterschap neer te leggen wanneer Meijer gekozen zou worden.

Meijer kreeg de functie uiteindelijk niet.

Voor Tinholt moet het een teleurstelling zijn geweest. Maar hij had in ieder geval laten zien dat hij zijn oude vriend niet gemakkelijk liet vallen.

Het voorval geeft extra betekenis aan een karakterisering die vijftien jaar later bij zijn jubileum verscheen:

„Had men Tinholt tot vriend, dan had men er een uit 1000, was hij tegen u, dan had men een fel tegenstander. Maar altijd wist men wat men aan hem had.”

Señor Tinholt

Op 9 september 1911 verscheen de 22-jarige José Raúl Capablanca bij VAS. De Cubaan was nog geen wereldkampioen, maar gold al als een van de wonderen van het internationale schaakleven. In Palais Royal zou hij tegen vijfentwintig tegenstanders simultaan spelen.

Voorzitter Tinholt heette hem welkom.

In het Spaans.

Het was een moedige poging. Volgens het verslag moest Capablanca moeite doen zijn lachen te bedwingen. Tinholt begreep zelf ook dat zijn kennis van de Spaanse taal grenzen kende. Hij betreurde dat hij de taal niet beter had geleerd en schakelde vervolgens over op het Engels.

Daarna kon er geschaakt worden.

Capablanca won 21 partijen, verloor er één en speelde er drie remise. Na afloop was het opnieuw Tinholt die de uitslag bekendmaakte.

Het is een klein tafereel, maar misschien wel het aardigste beeld van zijn positie binnen VAS. Wanneer de internationale schaakwereld Amsterdam binnenkwam, stond Kees Tinholt bij de deur.

Lasker en Speijer

Ook Emanuel Lasker kwam hij daar tegen.

Na een match tussen wereldkampioen Lasker en Abraham Speijer behoorde Tinholt tot het organiserende comité. Bij de feestelijke bijeenkomst na afloop was hij de eerste die het woord nam.

Hij sprak over Lasker niet alleen als schaker, maar ook als denker. Daarna richtte hij zich tot Speijer en overhandigde hem namens het comité een gouden horloge. En natuurlijk vergat hij Meijer niet, wiens aandeel in de organisatie hij nadrukkelijk roemde.

Het patroon wordt vertrouwd. Wanneer er in Amsterdam iets op schaakgebied moest worden georganiseerd, gevierd, toegesproken of gladgestreken, verschijnt de naam C. Tinholt.

Namens Caïssa

In april 1912 won Nederland een schaakwedstrijd tegen Engeland. VAS had de wedstrijd niet georganiseerd, maar nam in Palais Royal graag de feestelijkheden na afloop voor zijn rekening.

Tinholt sprak er als voorzitter.

Ditmaal deed hij dat niet alleen namens VAS. Hij sprak namens „geheel schakend Nederland” en zelfs namens „Caïssa, de godin der schakers”.

Kort daarop liet hij zien dat het niet bij woorden bleef. Tinholt schreef een aantal van de sterkste Nederlandse spelers aan met een voorstel voor een permanente organisatie voor internationale wedstrijden: „De Nederlandsche Acht”.

Het idee was praktisch. Een groep van twaalf sterke spelers moest beschikbaar zijn, zodat voor internationale ontmoetingen steeds een achttal kon worden samengesteld. Jaarlijks zou een ranglijst worden opgesteld. De organisatie moest een eigen leiding en financiële basis krijgen.

Opmerkelijk genoeg bedacht Tinholt daarbij geen mooie functie voor zichzelf. Hij wilde het initiatief nemen en zich terugtrekken zodra de zaak liep. Daarna wilde hij hoogstens als contribuant of donateur betrokken blijven.

Ook dat tekent hem: het hoefde niet om Tinholt te draaien, zolang het maar gebeurde.

Meel, nootmuskaat en lijnzaad

Overdag bevond Tinholt zich in een heel andere wereld.

Al in de jaren zeventig van de negentiende eeuw vinden we hem in Amsterdam als agent en commissionair. Hij ging samenwerkingsverbanden aan, vertegenwoordigde handelshuizen en ontwikkelde zich later ook tot expert bij de verkoop van beschadigde handelswaar.

Zijn naam verschijnt onder advertenties voor openbare verkopen van goederen die door zeewater, brand of ander onheil waren aangetast.

Meel. Rijst. Bonen. Nootmuskaat. Lijnzaad. Vlees. Vet. Graszaad.

Het zijn advertenties waarin weinig romantiek schuilt. Partijen moesten worden bekeken, gewaardeerd en verkocht. Tinholt werkte daarbij regelmatig samen met dezelfde Amsterdamse experts en commissionairs.

Het levert wel een prachtig contrast op. De man die ’s avonds namens Caïssa sprak en wereldkampioenen welkom heette, kon zich overdag bezighouden met de resterende handelswaarde van een partij door zeewater beschadigd lijnzaad.

Tinholt trouwde in 1880 met Johanna Petronella de Carpentier. Zij kregen drie dochters en bouwden hun leven op in Amsterdam. In 1885 woonde het gezin aan de Govert Flinckstraat; later vinden we Tinholt aan de Van Baerlestraat.

Ook mevrouw Tinholt lijkt zich af en toe in het schaakleven te hebben gemengd. In 1908 stelde een „mevr. Tinholt” een bijzondere prijs beschikbaar voor de kortste matpartij. Het ligt voor de hand dat Johanna Petronella daarmee werd bedoeld.

Sportsmanship

Tinholt bleef ondertussen zelf schaken.

In 1915 speelde hij mee in een grote wedstrijd tussen VAS en Discendo Discimus. VAS won met het kleinst mogelijke verschil: 20–19. Tinholt droeg met een overwinning zijn punt bij.

Een andere partij leverde geen punt maar wel een aardig inkijkje in zijn karakter op. Rond 1920–1921 bereikte hij tegen H.M. Bosch een gewonnen stelling. Tijdens de partij zag hij de winst niet en vervolgens ging het mis.

Tinholt wees achteraf zelf op de gemiste winst en liet de stelling publiceren.

Het blad zette erboven:

„Sportsmanship.”

En noemde het:

„Een sympathieke geste van den heer Tinholt.”

Een verloren partij die misschien meer over iemand vertelt dan menige overwinning.

Uit duizend

Op 24 maart 1923 was Tinholt precies veertig jaar lid van VAS.

Het jubileum leverde een van de mooiste karakterportretten op die van een oude clubschaker te wensen zijn. B.J. van Trotsenburg noemde hem een bijzonder energieke voorzitter en een van de meest verdienstelijke en geachte leden van de vereniging.

Maar misschien zegt een andere opmerking nog meer. Tinholt was ook de speelpartner „die zelden op de genootschapsavonden ontbreekt”.

Hij bleef komen.

Juist daarin school een belangrijk deel van zijn betekenis voor VAS: niet alleen besturen wanneer dat nodig was, maar tientallen jaren aanwezig zijn.

Een ander jubileumartikel was nog persoonlijker. Tinholt kon fel zijn. Zijn strijdlust was bekend. Wie tegenover hem kwam te staan, kreeg geen gemakkelijke tegenstander. Maar niemand hoefde zich af te vragen waar hij aan toe was.

Voor VAS was zijn trouw vrijwel onvoorwaardelijk.

Wanneer zijn clubgenoten wonnen, waren het volgens Kees onmiddellijk „reuzenpelers”. Na een overwinning van VAS kon hij ’s nachts van plezier niet slapen.

Na een nederlaag trouwens ook niet.

Dan hield de ergernis hem wakker.

B.J. van Trotsenburg stond in zijn schaakrubriek stil bij het veertigjarig VAS-lidmaatschap van Cornelis Tinholt. Algemeen Handelsblad, 24 maart 1923.

De eerste erevoorzitter — 110 jaar VAS

In 1932 bestond VAS 110 jaar. De vereniging, die haar oorsprong terugvoerde tot het in 1822 opgerichte Amsterdamsch Schaakgenootschap, had inmiddels verschillende generaties schakers zien komen en gaan. Tinholt had daarvan bijna een halve eeuw persoonlijk meegemaakt.

Op 27 januari 1932 kwam VAS bijeen voor de algemene ledenvergadering. Tinholt was inmiddels tachtig jaar oud. Zijn actieve bestuursjaren lagen ver achter hem, maar binnen de vereniging nam hij nog altijd een bijzondere plaats in.

Die avond besloot VAS hem een eer te verlenen die nog niemand vóór hem had ontvangen: Cornelis Tinholt werd de eerste erevoorzitter in de geschiedenis van VAS.

Dat gebeurde dus in het jaar waarin de vereniging haar 110-jarig bestaan vierde. Het is een bijzonder passend moment. Tinholt was al erelid, maar kreeg nu een titel die zijn uitzonderlijke verdiensten voor de vereniging onderstreepte.

Hij stond die avond niet alleen in de belangstelling. Op dezelfde vergadering werd Antonius Grave tot erelid benoemd.

De notulen vertellen hoe de leden reageerden. Beide benoemingen werden:

„met daverend applaus door de leden begroet.”

Twee oude Vassisten werden zo in het jubileumjaar van hun vereniging tegelijkertijd geëerd. Voor Tinholt vormde het erevoorzitterschap de bekroning van bijna vijftig jaar betrokkenheid bij VAS.

Vijftig jaar

Een jaar later was er opnieuw reden Tinholt te huldigen.

Op zaterdag 29 april 1933 organiseerde VAS een Tinholt-avond ter gelegenheid van zijn vijftigjarig lidmaatschap. Er kwam een feestelijke gongwedstrijd en er waren bijzondere jubileumprijzen.

Het clubblad riep de leden op aanwezig te zijn om „onzen Eere-Voorzitter” te huldigen.

Een van de door Jan Rotgans getekende karikaturen

 

Vijftig jaar VAS was al uitzonderlijk. Maar Tinholts eigen schaakgeschiedenis reikte inmiddels nog veel verder terug. Vanaf zijn correspondentiepartij uit 1869 kunnen we hem gedurende meer dan zestig jaar in het Nederlandse schaakleven volgen.

In die tijd was de schaakwereld volledig veranderd.

Toen de zeventienjarige Tinholt tegen Van Eck correspondeerde, moesten VAS in zijn latere vorm en de Nederlandsche Schaakbond nog worden opgericht. Op hoge leeftijd had hij Lasker en Capablanca zien langskomen en maakte hij de opkomst van Max Euwe mee.

En Tinholt bleef komen.

In een captain-match onder leiding van H. Weenink en Euwe speelde hij als erelid aan het eerste bord tegen een ander VAS-erelid, J.F. Pilger. De oude heren speelden remise. Tinholt had bovendien een prijs beschikbaar gesteld.

Ook na een nederlaag van VAS wist hij hoe het hoorde. Toen ASC onder aanvoering van Euwe VAS versloeg, stond erevoorzitter Tinholt op om de tegenstander met de overwinning te complimenteren.

Voor iemand die van een nederlaag van VAS naar eigen zeggen niet kon slapen, was dat misschien wel de zuiverste vorm van sportsmanship.

Een leven met VAS

Na het overlijden van zijn vrouw Johanna in 1927 brak Tinholts laatste levensfase aan. Cornelis Tinholt overleed op 19 december 1934 in Delft, ten huize van zijn dochter. Hij was 82 jaar en zou elf dagen later 83 zijn geworden.

Bijna zijn gehele volwassen leven had het schaakspel hem vergezeld.

Hij was nooit de beste speler in de zaal. Daar ligt ook niet de reden waarom hij herinnerd moet worden.

Tinholt schreef brieven. Hij organiseerde wedstrijden. Hij controleerde rekeningen. Hij zat vergaderingen voor en schafte ze vervolgens af. Hij maakte ruzie wanneer hij dacht dat het nodig was. Hij hielp zijn vriend Meijer. Hij ontving Lasker en Capablanca. Hij schonk prijzen, speelde zijn partijen en bleef komen. Uiteindelijk maakte VAS hem, in het jaar van zijn 110-jarig bestaan, tot zijn eerste erevoorzitter.

Een vereniging wordt niet alleen gebouwd door de mensen die de meeste partijen winnen.

Soms wordt zij gebouwd door degene die na een verloren wedstrijd niet kan slapen.

 

Overzichtspagina Portretten

 

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *