Er zijn mensen die een kamer binnenkomen en onmiddellijk iets veranderen aan het weer.
Bij Louis Gans begon de zon te schijnen.
Je hoorde hem vaak al voordat je hem zag. Een lach — breed, gul en onmiskenbaar Amsterdams — rolde door een café of vergaderzaal en iedereen wist: Gans is er.
Hij had een scherp oog, een analytische geest, een groot hart en een gevoel voor humor dat niet snel uitgeput raakte. Zulke mensen zijn zeldzaam. Ze zorgen ervoor dat een bijeenkomst geen bijeenkomst meer is, maar een avond.
Louis Gans werd in 1871 geboren in een familie van Joodse diamantbewerkers. Het lag niet voor de hand dat hij iets anders zou worden dan diamantklover. Dat werd hij dus ook. Maar daarnaast was hij nog een paar dingen: schaakspeler, kroegfilosoof, vakbondsman, trainer, organisator, schrijver en bovenal clubman.
Het soort man dat altijd ergens bij hoorde — en waar iedereen blij mee was.
De lach in het schaakcafé
Vanaf 1890 was hij lid van het VAS, het Vereenigd Amsterdamsch Schaakgenootschap.
Samen met zijn vriend Abram Speijer was hij niet uit de schaakcafés weg te slaan.
Ze zaten daar tot sluitingstijd. Partijen analyseren. Snelschaken. Nog een partij. En nog een.
En steeds weer die lach.
Sommige mensen herinneren zich hun jeugd aan bepaalde gebouwen of straten. De generatie schaakspelers van toen herinnerde zich haar tijd aan het geluid van de lach van Louis Gans.
Arbeiders verheffen
Rond 1900 leefde in de arbeidersbeweging een idee dat tegenwoordig bijna romantisch klinkt: het verheffingssocialisme.
Men vond dat arbeiders niet alleen beter moesten verdienen, maar ook beter moesten denken, lezen, discussiëren en spelen.
Daarom kwamen er bibliotheken, cursussen, lezingen, muziekverenigingen, toneelavonden — en schaakclubs.
Een van de motoren van dat alles was de Algemene Nederlandse Diamantbewerkersbond, geleid door Henri Polak. Het vakbondshuis De Burcht in Amsterdam werd wel een arbeidersuniversiteit genoemd.

En daar paste Louis Gans uitstekend bij.
Hij gaf schaakcursussen, schreef artikelen en legde het spel uit aan jonge arbeiders. Niet omdat er geld mee te verdienen viel — dat was er nauwelijks — maar omdat hij vond dat mensen er beter van werden.

Schaken, vond men toen, leerde discipline. Concentratie. Denken.
En Louis Gans leerde het hen met plezier.

Een reizende diamantklover
Zoals veel diamantbewerkers werkte Gans ook buiten Amsterdam.
Een paar jaar in Zuid-Afrika. Een tijd in New York. Kort in Antwerpen.
Maar waar hij ook kwam, hij bleef een Amsterdammer.
En waar hij een schaakclub binnenstapte, klonk diezelfde lach weer.
In New York werd hij zelfs lid van de Manhattan Chess Club, waar wereldspelers rondliepen. Men kan zich voorstellen dat zij even opkeken toen die Amsterdamse diamantklover de zaal binnenkwam en de lucht begon te vullen met zijn vrolijke geluid.
Westerbork
In 1943 kwam er een schaduw over zijn leven.
Louis Gans werd naar Kamp Westerbork gebracht. Een plek waar de lach van een mens plotseling een vreemd geluid werd.
Daar trof hij oude bekenden uit de diamantwereld. Mannen met wie hij ooit had geschaakt, gediscussieerd en gewerkt.
Veel van hen vertrokken later met de transporttreinen die uit Westerbork vertrokken en keerden nooit terug.
Gans werd uiteindelijk vrijgelaten — waarschijnlijk omdat hij een gemengd huwelijk had — maar wat hij daar had gezien, bleef hem bij.
Een hele wereld van Joodse diamantarbeiders en schaakvrienden verdween.
De lach keert terug
Na de oorlog keerde hij terug naar Amsterdam. Hij hervatte zijn leven, bemoeide zich weer met het schaakleven en werkte mee aan publicaties over de oorlog.

Maar wie hem toen ontmoette, hoorde nog steeds dezelfde lach.
Misschien iets zachter. Misschien iets korter.
Maar nog altijd die lach.
Louis Gans stierf in 1947.
En wie hem had gekend, herinnerde zich later vaak niet zijn partijen, zijn boeken of zijn vakbondswerk.
Ze herinnerden zich iets anders.
Ze herinnerden zich dat je hem van verre kon horen aankomen.
En dat het, zodra Louis Gans binnenkwam, altijd een beetje zonniger werd.
