Joseph Pinédo werd op 9 november 1835 geboren in Purmerend. Joseph voor de burgerlijke stand, Joost voor de schakers. En die laatste naam zou uiteindelijk blijven hangen.
In het dagelijks leven was Pinédo commissionair. Dat klinkt als een serieus beroep en dat zal het ongetwijfeld ook zijn geweest, maar wie zijn leven probeert te reconstrueren krijgt soms de indruk dat de handel vooral nodig was om voldoende tijd over te houden voor zijn werkelijke bezigheid: schaken.
Er was thuis overigens genoeg dat eveneens om zijn aandacht vroeg. Pinédo trouwde met Anna Petronella Vrolijk, een Amsterdamse die bijna veertien jaar jonger was. Het was bovendien een huwelijk tussen twee verschillende werelden. Pinédo stond in de bevolkingsregisters als Portugees-Israëlitisch geregistreerd, Anna Petronella als rooms-katholiek.
Samen kregen zij zes kinderen: Anna, Selina, Jacobus, Elisabeth, David en Arnold. Vijf werden in Amsterdam geboren. Alleen David zag het levenslicht in Suriname, waar het gezin kennelijk enige tijd verbleef. Voor een Amsterdamse commissionair is dat een interessant gegeven, maar wat Pinédo precies naar Suriname bracht weten we vooralsnog niet.
Het gezin woonde onder meer aan de Prinsengracht en verhuisde later naar Rembrandtplein 24, een flink pand midden in het Amsterdamse uitgaansleven. Het huis bood ruimte aan meerdere huishoudens en activiteiten, maar verschillende registraties van de kinderen bevestigen dat ook de familie Pinédo er langere tijd woonde.

Met zes kinderen was enige hulp in huis geen overbodige luxe. En juist op Rembrandtplein 24 verschijnen advertenties die daar wonderwel bij passen. Er werd huishoudelijk personeel gezocht, een vrouw die kinderjurken kon maken en rond een geboorte zelfs hulp voor de kraamzorg. Gezien de samenstelling van het gezin en de datering van de advertenties ligt het zeer voor de hand dat we hier een glimp opvangen van het huishouden-Pinédo.
Een rustig huishouden zal het niet zijn geweest.
En dan was er Joost zelf.
Want waar Pinédo ook woonde, uiteindelijk komen we hem steeds weer tegen bij het schaakbord.
Al in 1856 duikt hij samen met A. de Lelie op in twee correspondentiepartijen tegen Aris en Klaas de Heer uit de Beemster. Correspondentieschaak betekende in die tijd nog gewoon dat de postbode onderdeel van het wedstrijdmateriaal was. De Amsterdammers kwamen er niet ongeschonden vanaf: De Heer won de tweekamp met 1½–½. Wie van de twee Amsterdammers daarvoor verantwoordelijk was, laat zich moeilijk vaststellen.

Echt hoog was het niveau misschien nog niet.
Maar Pinédo was begonnen.
Vijf jaar later was hij aanzienlijk verder. In 1861 speelde hij in Amsterdam een aantal partijen tegen niemand minder dan Adolf Anderssen, winnaar van het grote internationale toernooi van Londen 1851 en een van de sterkste spelers ter wereld. Pinédo verloor van hem, zoals vrijwel iedereen dat deed, maar wist Anderssen volgens de overgeleverde partijen ook eenmaal te verslaan.
In hetzelfde jaar maakte hij naam als blindspeler. Pinédo kon tegen meerdere tegenstanders tegelijk spelen zonder het bord te zien. Zijn geheugen moet fenomenaal zijn geweest. In de necrologie die na zijn dood verscheen, werd gememoreerd dat hij uiteindelijk zelfs acht partijen tegelijk blind kon spelen en oude partijen jaren later nog zet voor zet uit zijn hoofd kon reproduceren.
Dat zegt misschien meer over zijn schaaktalent dan een rating die in zijn tijd toch nog niet bestond.
In augustus 1865 trok Pinédo naar Elberfeld voor het vijfde West-Duitse schaakcongres. Ook zijn oude schaakvriend De Lelie was daar. Pinédo kwam er tegenover sterke Duitse spelers te zitten, onder wie Gustav Neumann en Viktor Knorre. In het internationale toernooi ging het minder glorieus: hij verloor zijn drie partijen.

Het zal zijn enthousiasme nauwelijks hebben aangetast.
Want gaandeweg werd duidelijk dat Pinédo niet alleen zelf wilde schaken. Hij wilde vooral dat iedereen ging schaken.
In de daaropvolgende decennia groeide hij uit tot een centrale figuur in het Nederlandse schaakleven. Hij kende de oude garde rond Maarten van ’t Kruijs, maar voelde zich minstens zo thuis bij de jongere generatie die daarna opkwam. Pinédo speelde, reisde, organiseerde en kende zo ongeveer iedereen in Nederland die een paard van een loper kon onderscheiden.
En als die mensen elkaar nog niet kenden, zorgde Pinédo daar vermoedelijk voor.
Ook in het soms ingewikkelde Amsterdamse verenigingsleven bewoog hij zich gemakkelijk. We komen hem tegen in de kringen van zowel het Amsterdamsch Schaakgenootschap als La Bourdonnais. Toen die Amsterdamse schaakwerelden uiteindelijk weer bij elkaar kwamen in het Vereenigd Amsterdamsch Schaakgenootschap, hoorde Pinédo bij de mannen die de oude en nieuwe generaties met elkaar verbonden. Uiteindelijk werd hij erelid van VAS.
Zijn grootste verdienste lag misschien wel buiten het bord.
Pinédo kon schrijven en vertellen en besloot dat Nederland een fatsoenlijk schaaktijdschrift nodig had. Dus begon hij er zelf een: Morphy, Nederlandsche Schaakcourant, uiteraard genoemd naar de Amerikaanse schaaklegende Paul Morphy.
Morphy was Pinédo’s ideaal.
Hij schreef, verzamelde partijen, analyseerde, correspondeerde en probeerde vooral enthousiasme voor het spel te kweken. Dat laatste was misschien nog wel het moeilijkste. De georganiseerde Nederlandse schaakwereld was klein en een gespecialiseerd schaaktijdschrift overeind houden was geen eenvoudige onderneming. Ondanks veel energie, steun van vrienden en enkele gulle bijdragen hield Morphy het uiteindelijk niet vol.
Pinédo wel.
Ook nadat zijn tijdschrift verdwenen was bleef hij schrijven, onder meer over schaken in het Weekblad voor de Amsterdammer. Spelen bleef hij eveneens. Zijn stijl paste uitstekend bij zijn karakter: aanvallend, ondernemend en niet al te bevreesd voor complicaties. Tegen de sterkste spelers liep dat soms verkeerd af. Tegen mindere goden leverde het fraaie partijen op.
Nog in 1889 was hij nauw betrokken bij het grote internationale schaaktoernooi in Amsterdam. Pinédo maakte deel uit van de regelingscommissie en ging bovendien zelf nog achter het bord zitten. Hij was inmiddels een van de oudere mannen van het Nederlandse schaakleven, maar kennelijk nog altijd niet van plan alleen maar toe te kijken.
Veel tijd kreeg hij daarna niet meer.
Op 16 maart 1890 overleed Joseph Pinédo in Amsterdam. Hij was 54 jaar oud en liet Anna Petronella en hun kinderen achter.
De kranten hoefden nauwelijks uit te leggen wie gestorven was. Het Vaderland meldde eenvoudig dat:
„De bekende schaakspeler de heer J. Pinedo Az. dezer dagen te Amsterdam [is] overleden.”
Meer introductie was kennelijk niet nodig.
Een andere necrologie deed meer moeite. Daar werd teruggekeken op de blindspeler met zijn wonderbaarlijke geheugen, de schrijver, de organisator, de man achter Morphy en vooral de enthousiaste schaakvriend die zich jarenlang voor het Nederlandse schaakleven had ingezet.
Dat is misschien ook de beste manier om Joost Pinédo te herinneren.
Nederland heeft sterkere schakers gehad. Ook in zijn eigen tijd waren er spelers die hem aan het bord voorbijstreefden. Maar weinig mensen hebben in de negentiende eeuw zoveel moeite gedaan om anderen aan het schaken te krijgen als Joost Pinédo.
En vermoedelijk had hij dat zelf belangrijker gevonden dan zijn score.
