Jacob Mackenzie werd op 7 juni 1851 geboren in Poortugaal, onder de rook van Rotterdam. Dat laatste klinkt tegenwoordig alsof je er vooral langsrijdt, maar voor Jacob begon daar een tamelijk gevuld leven.
Zijn vader, eveneens Jacob geheten – de familie hield van duidelijkheid zolang er maar Sr. of Jr. achter stond – was hoofdonderwijzer. Bijna vijftig jaar stond hij in het onderwijs, eerst als hoofdonderwijzer aan een diaconieschool van de Nederlands Hervormde Gemeente in Poortugaal en daarna in Rotterdam. Ook was hij examinator en gaf hij les aan toekomstige onderwijzers.
Het onderwijs zat dus in de familie. Net als besturen trouwens.
Jacob jr. koos aanvankelijk keurig het pad dat thuis voor hem was voorgedaan. In 1877 vinden we hem als hoofdonderwijzer aan een diaconieschool aan de GoudscheSingel in Rotterdam. Later werd hij zelf ingeschakeld bij examens voor onderwijzers. Als je vader examinator is en je wordt het zelf ook, kun je moeilijk volhouden dat er thuis nooit over school werd gesproken.
Maar alleen onderwijs was voor de Mackenzies kennelijk wat weinig.
In 1887 was Jacob voorzitter van de Rotterdamse gymnastiekvereniging Coroebus. Zijn jongere broer Karel Pieter zat bij dezelfde vereniging achter de kas als penningmeester. Broer Paulus dook weer op in het Rotterdamse verenigingsleven, onder meer bij de Rotterdamsche Zwemclub, waarvan hij uiteindelijk erelid werd. Later zou Paulus bijna tien jaar voorzitter zijn van de Nieuwe Rotterdamsche Schaakvereeniging.
Als er in Rotterdam een bestuurstafel stond, was de kans dus niet onaanzienlijk dat er ergens een Mackenzie aan zat.
Eind 1886 trouwde Jacob met Maria Susanna van den Bos. Het was een familie die dicht bij elkaar bleef. Bij geboorten, huwelijken en overlijdens duiken de broers, hun echtgenotes en later de kinderen steeds weer gezamenlijk op. Toen Karel Pieter in 1893 op slechts 38-jarige leeftijd overleed, ondertekenden vader Jacob, moeder Elisabeth, Jacob jr. en Maria Susanna, Paulus en diens vrouw en de overige broers en zusters samen de familieadvertentie.
Die familieband is belangrijk om Jacob te begrijpen. Hij was ondernemend, maar niet iemand die los van zijn omgeving opereerde. Achter de onderwijsman stond een familie van onderwijzers, ondernemers en verenigingsmensen.
En ondernemen deed hij.
In 1887 begon Jacob in Scheveningen een Handelsschool met internaat. Eerst aan de Parkweg. De school groeide en trok interne én externe leerlingen. Jacob zag mogelijkheden en deed vervolgens wat ondernemers vaker doen wanneer iets goed gaat: hij maakte het groter.
Veel groter.
Aan de Duinweg in het Van Stolkpark liet hij een nieuw complex neerzetten, met schoolgebouw en directeurswoning. Vanaf mei 1894 was de Handelsschool daar gevestigd. Er werd lesgegeven in moderne talen, correspondentie, boekhouden, handelswetenschappen en stenografie. Jongens werden voorbereid op een bestaan in handel en administratie en zelfs op het examen voor leerling-consul.

Jacob verkocht daarbij niet alleen onderwijs. Hij verkocht vertrouwen.
In zijn advertenties liet hij weten dat ouders en belangstellenden desgewenst informatie over zijn school konden krijgen bij mensen die hun zoon of een familielid aan hem hadden toevertrouwd. Dat waren niet de eersten de besten:
- S. van Houten, dr. H. de Zwaan, mr. Th. P. baron Mackay, J.L. Waller, mr. G. van Tienhoven, dr. L.W. van der Sluijs, J.J. van Santen, J. Eijken Sluiters, Jac. van Schaik, H.F. Kolff, J.C. Mooij, J.A. van Tienhoven en H.A. van Beuningen.
Dat is geen advertentie meer, dat is een netwerk.

En Jacob begreep hoe een netwerk werkte. De aanbevelers kwamen uit Den Haag, Scheveningen, Amsterdam, Rotterdam, Werkendam en Utrecht. De advertenties verschenen ook buiten de regio. Wie een internaat heeft, hoeft zijn leerlingen tenslotte niet alleen om de hoek te zoeken.
Zijn vader heeft die ontwikkeling nog meegemaakt. De oude Jacob overleed op 6 mei 1895 in Scheveningen, 75 jaar oud. Hoe groot zijn praktische of financiële betrokkenheid bij de school van zijn zoon is geweest, weten we nog niet. Dat vader en zoon in hun onderwijsloopbaan buitengewoon veel gemeen hadden, staat wel vast.
Een jaar later ging het mis.
In 1896 werd Jacob failliet verklaard.
Waarom precies, weten we nog niet. Gebrek aan belangstelling lijkt in ieder geval een te eenvoudige verklaring. Kort daarvoor werd nog volop voor de school geworven en de eerdere verhuizing naar de Duinweg was juist gemotiveerd met een groeiend aantal leerlingen. Mogelijk waren de ambities groter geworden dan de financiën aankonden. Daarover moet het faillissementsdossier uiteindelijk uitsluitsel geven.
Jacob verliet Scheveningen. Hij verdween echter niet.
Via Deventer en Arnhem kwam hij in 1907 in Amsterdam terecht. Niet meer als directeur van een eigen instituut, maar gewoon weer in het onderwijs. Hij woonde eerst aan de Eerste Helmersstraat 52 en later aan de Emmastraat 9.
En daar begon, op 56-jarige leeftijd, opmerkelijk genoeg een tweede carrière.
Jacob ging schaken.
Niet direct bijzonder goed, maar wel enthousiast. In december 1907 zien we hem in Hilversum een tweede prijs winnen. Later schoof hij op naar hogere klassen en won hij regelmatig zijn groep. In 1908 presteerde hij zelfs iets wat een uitstekend verhaal oplevert als je de rest van de uitslagen discreet weglaat: hij versloeg wereldkampioen Emanuel Lasker in een simultaan.
Belangrijker was dat Jacob opnieuw ging doen waar de Mackenzies goed in waren: organiseren.
Bij VAS werd hij secretaris. Zijn huis aan de Emmastraat 9 werd feitelijk het correspondentieadres van de vereniging. Wie wilde meedoen aan een wedstrijd, een programma nodig had of bij VAS geïntroduceerd wilde worden, kon zich tot meneer Mackenzie wenden.

Dat moet hem gelegen hebben.
In 1910 maakte hij deel uit van de financiële commissie die de match tussen Johannes Esser en de Tsjechische meester Oldřich Duras mogelijk moest maken. Later werd hij voorzitter en penningmeester van VAS.
Ondertussen dacht Jacob alweer groter dan één vereniging.
Hij was penningmeester van de commissie die een massakamp organiseerde tussen Amsterdam en de rest van Noord-Holland. Dat werd een succes. De wedstrijd van zondag 15 december 1912 werd gehouden in het Gebouw van de Maatschappij voor den Werkenden Stand aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam. 226 schakers deden mee! Amsterdam won van Noord-Holland: 137½ – 88½. Op bord 1 speelde jhr Dirk van Foreest en Dr Esser 1-1. Mackenzie speelde zelf 1-1 tegen dhr. Winten.

Na afloop besloten de organisatoren te onderzoeken of de Noord-Hollandse verenigingen zich niet blijvend moesten verenigen.
Dat gebeurde.
In 1913 werd de Noord-Hollandsche Schaakbond opgericht. Jacob Mackenzie behoorde tot de mensen die de oprichting hadden voorbereid en werd gekozen tot vicevoorzitter van het eerste bestuur.
Het paste bij hem. Een school was voor Jacob nooit alleen een lokaal met kinderen, maar werd een Handelsschool met internaat. Een schaakclub was niet alleen een avond achter een bord, maar werd een wedstrijd, een commissie, een bond.
En altijd waren er mensen om hem heen.
Zijn broer Paulus zat inmiddels al jaren midden in het Rotterdamse schaakleven en was vrijwel zeker de P. Mackenzie die van 1904 tot 1913 voorzitter was van de Nieuwe Rotterdamsche Schaakvereeniging. Toen Lasker in 1908 in Rotterdam kwam simultaan spelen, was het P. Mackenzie die de wereldkampioen namens de vereniging welkom heette.
Twee broers Mackenzie, twee steden, twee schaakverenigingen en allebei in het bestuur. Toeval bestaat, maar families bestaan ook.
In Jacobs laatste jaren ging zijn gezondheid achteruit. Uiterlijk in het voorjaar van 1916 woonde hij in Hengelo, waar ook zijn dochter Johanna Maria Cornelia woonde. Of hij juist vanwege zijn ziekte naar haar toe verhuisde, weten we niet. Het zou kunnen.
Met het schaken stopte hij in ieder geval niet.
Hij stuurde vanuit Hengelo oplossingen van schaakproblemen naar de krant en speelde op 11 juli 1916 aan bord drie mee met de Hengelosche Schaakclub tegen Enschede. Hij verloor van A. van Omme. Enschede won met 7-2.
Niet iedere onderneming van Jacob Mackenzie liep dus goed af.
Op 3 mei 1917 overleed hij in Hengelo, na langdurig lijden, ruim 65 jaar oud.
Wie alleen naar zijn faillissement kijkt, ziet een mislukte schooldirecteur. Wie alleen naar zijn schaakpartijen kijkt, ziet een aardige clubschaker. Maar wie het geheel bekijkt, ziet iets anders.
Jacob Mackenzie was een bouwer.
Hij bouwde een school, een netwerk en later mee aan een schaakbond. Soms bouwde hij te groot. Soms stortte iets in. Dan begon hij ergens anders opnieuw.
En vrijwel nooit alleen.
Rond hem stonden zijn vader, zijn broers, zijn vrouw, zijn kinderen, collega’s, ouders van leerlingen en later een hele verzameling schakers. Misschien was dat wel zijn grootste talent: Jacob wist mensen aan zich en aan een plan te verbinden.
Daarmee kom je soms een heel eind.
En soms zelfs tot de Duinweg.
