Samuel Coppenhagen

Samuel Coppenhagen, geboren in Amsterdam op 21 december 1904 en vernoemd naar zijn opa van vaders kant. Hij werd lid van VAS in 1928. Tijdens de oorlog woonde hij eerst op de Jekerstraat 12, 2 hoog, in de Rivierenbuurt. Vanaf het voorjaar van 1942 werden Joden in heel Nederland gedwongen naar Amsterdam te verhuizen. Daar werden zij in drie speciale wijken ondergebracht: rond het Waterlooplein, in de Transvaalbuurt en in de Rivierenbuurt. Op 15 oktober 1942 verscheen een verordening die alle Joden in Judenviertel III (Rivierenbuurt) verplichtte om naar Judenviertel II (Transvaalbuurt) te verhuizen. Door deze gedwongen verhuizing belandde Samuel op de Tugelaweg 114 1hg.

Daar woonde hij samen met zijn vrouw Cato, waar hij in 1936 mee getrouwd is. Het echtpaar heeft geen kinderen. Samuel heeft een jongere broer, Raphael. Volgens een lijst met winkels van joodse eigenaren opgesteld door de Amsterdamse politie in 1940, had diens gezin een fruit- en delicatessenzaak, adres: De Clercqstraat 42 te Amsterdam. Als beroep van Samuel is ‘Koopman’ geregistreerd.

De vader van Samuel, Jacob (een diamantbewerker), is al overleden voor de oorlog. Vrijwel geen lid van diens gezin overleeft de oorlog. De moeder van Samuel, Heintje Coppenhagen, overlijdt op 23 april 1943 in Sobidor.

Op zondag 20 juni 1943 houdt de Duitse bezetter een grote razzia in Amsterdam. De actie is in het geheim door de nazi’s voorbereid. Duitse en Nederlandse politieagenten sluiten de wijken af in Amsterdam-Oost en Amsterdam-Zuid. Hier wonen de meeste Joden in de stad. Vanaf ‘s ochtends 3:30 uur rijden luidsprekerwagens rond, die de Joden bevelen zich te melden op verzamelplaatsen. Wie niet vrijwillig komt, wordt met geweld uit zijn huis gehaald. De razzia duurt tot diep in de nacht en gaat ook de volgende dag nog verder. Er worden ongeveer 5.500 Joden opgepakt.

Samuel en zijn vrouw Cato (meisjesnaam Goudsmit) worden op 29 juni 1943 vanuit Westerbork op transport gezet naar Sobidor. Van zijn broer Rafael is bekend dat die vanaf 21 juni 1943 in Westerbork was en het is dus goed mogelijk dat de broers elkaar daar nog gezien hebben.

In 1943 kwamen negentien treinen vanuit Westerbork in Sobibor aan. Samuel en Cato zaten in het 16e transport met 2.395 anderen, waaronder ook clubgenoot Bernard Wolff Beffie. In totaal ruim 34.000 mannen, vrouwen en kinderen uit Nederland maakten de gedwongen reis naar dit onbekende oord in het oosten van Polen. Op een enkeling na werden zij in nog geen vijf maanden tijd allemaal vermoord. Van de negentien transporten overleefden slechts vijftien vrouwen en drie mannen de oorlog.

Samuel en Cato zijn direct na aankomst in Sobidor op 2 juli 1943 vergast, net als Bernard Wolff Beffie.

Rafael overlijdt op 4 december 1944 in Oranienburg, diens vrouw Rachel overleeft de oorlog wel.

BronnenOorlogsbronnen.nl | Partij verloren… Gedenkboek ter herinnering aan de schakers in Nederland, die tijdens de bezetting zijn omgekomen. (Eggink & Schelfhout) | Joods Monument | Ons Amsterdam | De 19 transporten