Amos Burn, wint Amsterdam 1889 en toch geen erelid

Amos Burn, Amsterdam 1889 en het portret van Paul Kruger

Er was eens een Engelse schaker die niet van ophef hield. Hij heette Amos Burn en hij kwam naar Amsterdam om een toernooi te winnen. Dat deed hij ook, maar daar gaat dit verhaal eigenlijk niet over.

Burn was een laatbloeier. Hij had het schaken pas op zijn zestiende ontdekt, wat in schaaktermen ongeveer hetzelfde is als op je veertigste besluiten dat je concertpianist wilt worden. Toch bracht hij het ver. Hij was een stille man, een harde werker en iemand die liever een stelling langzaam dichtschroefde dan er vuurwerk in stak.

In het tijdschrift The Field verdedigde hij trouw de ideeën van Wilhelm Steinitz:
dat schaken eigenlijk een kwestie van geduld is, en dat wie lang genoeg wacht vanzelf gelijk krijgt.

Toen de heren van het Vereenigd Amsterdamsch Schaakgenootschap
in 1889 een internationaal toernooi organiseerden, wilden ze vanzelfsprekend ook Burn hebben. Men schreef hem een brief en hij kwam. Wel iets later dan de anderen.

Dat was ongelukkig, want Amsterdam zat dat jaar vol. De wereldtentoonstelling trok massa’s bezoekers en de hotels hadden het druk met vreemdelingen die overal vandaan kwamen. Voor Burn bleef er uiteindelijk maar één kamer over, en die lag niet eens in Amsterdam maar in Haarlem.

Burn had daar op zichzelf geen bezwaar tegen. Hij was geen man die zich druk maakte om een treinrit. Wat hem wél hinderde was iets anders.

Aan de muur van zijn kamer hing een groot portret van Paul Kruger.

Kruger was toen de president van de Transvaal, een Boerenrepubliek in Zuid-Afrika, en in Nederland werd hij bewonderd als een soort stoere verwant die het tegen het Britse rijk opnam. Hij had een lange baard, een pijp en een gezicht dat tegelijk streng en vaderlijk keek. Men noemde hem “Oom Paul”.

Voor een Engelsman lag dat natuurlijk iets ingewikkelder.

Nu waren schakers in die tijd doorgaans kosmopolitische mensen. Ze hadden weinig belangstelling voor oorlogen en grenzen, zolang de stukken maar op het bord bleven staan. Maar het verhaal wil dat Burn het portret toch wat nadrukkelijk vond. Het hing daar alsof het hem persoonlijk in de gaten hield.

Hij schijnt er een paar keer naar gekeken te hebben.

Daarna deed hij wat hij altijd deed wanneer hij zich ongemakkelijk voelde: hij trok zich terug en ging schaken.

Dat kon hij namelijk uitstekend.

Toen het toernooi afgelopen was, stond Burn bovenaan. Een punt vóór de jonge
Emanuel Lasker,
die later wereldkampioen zou worden.

Het was in die dagen gebruikelijk dat een toernooiwinnaar van dit kaliber tot erelid van de club werd benoemd. Maar bij Burn gebeurde dat niet. Misschien vergat men het. Misschien had het iets met Haarlem te maken. Misschien ook met het portret.

Feit is dat Burn daarna nooit meer naar Amsterdam terugkeerde.

Lasker en
Isidor Gunsberg
kwamen later nog verschillende keren terug en werden wél erelid.

Burn bleef waar hij was: een stille Engelsman die uitstekend kon verdedigen en die ooit een toernooi won in een stad waar hij logeerde onder het toeziend oog van Oom Paul.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *