Er zijn van die avonden waarop alles precies zo gaat als het hoort. Niet spectaculair. Niet chaotisch. Gewoon: logisch. De kwartfinale van de Gouden Beker tussen VAS en Caïssa was zo’n avond. En dat is, in de schaakwereld, bijna verdacht.
Na de overwinning op de Paardenfluisteraar – alleen in het schaken kan iemand zo heten zonder dat iemand fronst – wachtte een oude bekende. Caïssa. In het Cygnus Gymnasium. Vier tegen vier. Op SGA-niveau heet dat een kraker, al klinkt het woord kraker altijd spannender dan de werkelijkheid vaak is.
Mijn gedachten gingen onvermijdelijk terug naar een jaar eerder. Toen won Caïssa (in de knsb-beker) met 1–3, maar werd het alsnog uitgeschakeld. Een administratieve zonde, een foutje met grote gevolgen: een speler die al eerder voor een andere club had gespeeld. Reglementair nul. Snelschaken. 2–2. VAS door. Verliezen en tóch doorgaan – het leven zou vaker zo moeten werken.
Een aantal Caïssianen van toen was er weer bij. U voelde het al: dit zou geen herhaling worden.
De wedstrijd kende geen grote schommelingen, geen drama, geen onverwachte helden. Twee keer won wit. Twee keer won zwart. Dat klinkt bijna saai, maar het was vooral efficiënt. Zoals een goed afgestelde machine efficiënt is.
Tobias Piet mocht op bord vier aantreden tegen FM Arno Bezemer. Bezemer vond zelf dat hij “best goed had gespeeld”. Dat is meestal het moment waarop blijkt dat ‘best goed’ net niet goed genoeg is. Tobias verloor. Geen schande. Bezemer was simpelweg een maatje te groot. Voorlopig nog.
Daan had het zwaarder. Of Hovenga zich had voorbereid of gewoon beter was, blijft een open vraag, maar vanaf zet één stond Daan onder druk. Zijn positie gleed langzaam weg, als zand tussen de vingers. Bord één ging verloren.
En dan kijk je naar de middenborden. Want daar, zo weet iedere VAS’er, wordt het geld verdiend. Marc met wit is zo’n zekerheidje dat het bijna geruststellend is. Zijn tegenstander Abe Willemsma – oer-Caïssiaan, lid van verdienste aldaar, altijd beschikbaar – verdient respect. Veel respect. Maar geen half punt.

In een stelling waarin De5 voor de hand lag, koos Marc voor iets mooiers. Iets wat niet per se moest, maar wél kon. Rxg7. De rest was schaakpoëzie: een reeks zetten die je niet speelt omdat ze de beste zijn, maar omdat ze onweerstaanbaar zijn. En omdat ze winnen.
rxg7 kxg7 nh5 kf8 (on kg6 rg4! Kxh5 rg5 followed by mate) nxf6 rd6 qe8 followed by mate in a few moves
1–2 dus. En toen moest Niels.
Zelfde tegenstander, zelfde opening als een maand eerder. Huiswerk gedaan. Variant herhaald. Alleen dit keer liep het anders. Dit keer werd Ron Nep langzaam maar zeker van het bord gemept. Revanche. Overtuigend ook.

De slotstelling zegt veel
En daarmee was alles weer logisch.
VAS naar de halve finale. Geen wonder. Geen toeval. Gewoon: zoals het hoort.
