Maarten van ’t Kruijs (1813–1885)

Maarten van ’t Kruijs 

De turfhandelaar die Adolf Anderssen versloeg

Amsterdam, juli 1861. Op de Beurs van Zocher wapperen de vlaggen. Rijtuigen rijden voor om een bijzondere gast te verwelkomen: Adolf Anderssen, een van de beroemdste schakers ter wereld. De Duitser heeft met zijn spectaculaire offers en vernietigende aanvallen een bijna legendarische reputatie opgebouwd. Nu komt hij naar Amsterdam om zich met de sterkste spelers van de stad te meten.

Onder hen bevindt zich Maarten van ’t Kruijs. De Amsterdamse turfhandelaar is zelf een gevreesd tegenstander, winnaar van het eerste nationale schaaktoernooi in 1851. Maar Anderssen is van een andere orde. Tegen deze man moet hij achter het schaakbord plaatsnemen.

Volgens een later opgetekende anekdote zag Van ’t Kruijs daar zo tegen op dat hij zijn toevlucht zocht in Amstelveen. Een Duitse schaakbestuurder moest eraan te pas komen om hem terug te halen. Niet een beroep op zijn eergevoel, maar een dreigement over zijn turfhandel zou uiteindelijk de doorslag hebben gegeven.

Een koopman in turf, geen organist?

Maarten van ’t Kruijs werd op 18 februari 1813 geboren in Uithoorn, in een tijd waarin Nederland deel uitmaakte van het Franse keizerrijk. Zijn geboorte werd daarom in het Frans geregistreerd. Zijn vader Gerrit staat in de geboorteakte vermeld als marchand des tourbes: koopman in turf.

Ook Maarten zelf was werkzaam in de turfhandel. Toen hij op 17 mei 1848 in Amsterdam trouwde met Ingrie Wijnberg, werd zijn beroep in de huwelijksakte omschreven als koopman in turf.

Dat is opmerkelijk, omdat Van ’t Kruijs in schaakhistorische publicaties regelmatig als organist wordt aangeduid. Vooralsnog is echter geen contemporaine bron gevonden waaruit blijkt dat Maarten als organist werkzaam was.

Er bestonden wel degelijk organisten met de naam Van ’t Kruijs. Marinus Hendrik van ’t Kruijs (1861–1919) was een bekende organist, componist en dirigent. Ook zijn vader, J. van ’t Kruijs, was organist. Daarnaast leefde er een andere Maarten van ’t Kruijs (1800–1876), die catechiseermeester in Lochem was.

Voor zijn schaakcarrière maakt het weinig verschil. Maar voor de anekdote over Anderssen blijkt die turfhandel van onverwacht groot belang.

Schaken in het Amsterdamse Leesmuseum

In de negentiende eeuw was Amsterdam een belangrijk centrum van het Nederlandse schaakleven. Op 19 september 1822 was het Amsterdamsch Schaakgenootschap (AS) opgericht, dat aanvankelijk bijeenkwam in het Amsterdamse Leesmuseum.

Van ’t Kruijs ontwikkelde zich tot een van de sterkste spelers van de stad. Hij schaakte bij AS, maar ook bij andere Amsterdamse verenigingen, waaronder Philidor en La Bourdonnais.

De Amsterdamse schaakwereld kende in die jaren de nodige onderlinge rivaliteit en bestuurlijke verdeeldheid. Van ’t Kruijs lijkt zich daardoor niet te hebben laten weerhouden om te spelen. Zijn naam duikt bij verschillende verenigingen en wedstrijden op.

Hij behoorde tot de generatie die het Nederlandse schaakspel hielp ontwikkelen van een bezigheid in besloten gezelschappen tot een georganiseerde wedstrijdsport.

De correspondentiepartijen tegen Londen

Al vóór het midden van de negentiende eeuw werden internationale schaakwedstrijden gespeeld zonder dat de tegenstanders elkaar ontmoetten. De zetten werden per brief uitgewisseld en binnen de deelnemende verenigingen gezamenlijk besproken.

Van ’t Kruijs speelde daarbij een belangrijke rol.

In 1848 nam Philidor het op tegen een Londense groep met onder anderen Bernhard Horwitz, George Walker en George Perigal. Van ’t Kruijs had een leidende rol bij het bepalen van de Amsterdamse zetten. Er stond een aanzienlijk geldbedrag op het spel: vijftig Engelse ponden.

Ook bij een volgende correspondentiepartij tegen Londen, rond 1850, was hij betrokken. Ditmaal stond M.M. Coopman aan het hoofd van de Amsterdamse analyse, met Van ’t Kruijs en F. Hancock als adviseurs. Die partij eindigde in remise.

Het zijn vroege voorbeelden van internationaal wedstrijdschaken, waarbij de Amsterdamse spelers zich met buitenlandse tegenstanders konden meten.

De winnaar van het eerste nationale schaaktoernooi

In 1851 organiseerde Philidor in Amsterdam een nationaal schaaktoernooi. Het was een gebeurtenis van betekenis: 38 deelnemers uit verschillende delen van het land kwamen bijeen om hun krachten te meten.

De wedstrijden werden gespeeld volgens een knockout systeem. De deelnemers moesten hun tegenstanders in korte matches uitschakelen; remises telden daarbij niet als gewonnen partij.

Voorzitter van Philidor was Mohr. Van ’t Kruijs en Coopman maakten deel uit van de organisatie.

Van ’t Kruijs bleek niet alleen een bekwaam organisator, maar vooral een uitstekend schaker. Hij won het toernooi en ontving de eerste prijs: een boekenkast.

De overige prijzen waren eveneens bijzonder. Zo waren er een gouden horlogeketting, een zilveren snuifdoos en schaakboeken te winnen.

De overwinning maakte Van ’t Kruijs tot een van de bekendste Nederlandse schakers van zijn tijd.

Een voorloper van Fischer Random Chess

Een jaar later nam Van ’t Kruijs opnieuw deel aan een opmerkelijke schaakwedstrijd.

Bij Philidor werd gespeeld volgens het zogenaamde schaakspel à la Van der Hoeven. De stukken op de achterste rij werden daarbij in een afwijkende beginopstelling geplaatst, terwijl de pionnen hun gebruikelijke plaatsen behielden.

De bedoeling was om de invloed van ingestudeerde openingskennis te beperken en spelers vanaf de eerste zetten zelfstandig te laten nadenken.

Het idee doet denken aan het veel later ontwikkelde Fischer Random Chess, tegenwoordig meestal Chess960 genoemd, al waren de spelregels niet identiek.

Volgens de latere beschrijving van Dirk Goes versloeg Van ’t Kruijs in 1852 Heijmans in de finale. Zijn prijs was ditmaal geen boekenkast, maar een Chinees schaakspel.

De Amsterdamse turfhandelaar bleek ook buiten de gebruikelijke beginstellingen zijn mannetje te staan.

Adolf Anderssen: het schaakkanon komt naar Amsterdam

En dan verschijnt in 1861 Adolf Anderssen op het toneel.

Anderssen had zijn internationale reputatie gevestigd door een uitzonderlijk aanvallende speelstijl. In 1851 had hij in Londen het grote internationale schaaktoernooi gewonnen. Zijn partij tegen Lionel Kieseritzky uit datzelfde jaar ging de geschiedenis in als de Onsterfelijke Partij.

Een jaar later speelde hij tegen Jean Dufresne de Immergrüne Partie. Beide partijen werden beroemd vanwege de verbluffende combinaties en de bereidheid waarmee Anderssen materiaal offerde om de vijandelijke koning te bereiken.

Wie de partijen naspeelt, begrijpt waarom Anderssen zoveel ontzag inboezemde. Een ogenschijnlijk rustige stelling kon bij hem in enkele zetten veranderen in een verwoestende aanval. Torens, lopers en zelfs de dame konden worden geofferd als de koning van zijn tegenstander daardoor geen ontsnapping meer had.

 

 

Het zijn precies zulke partijen die duidelijk maken waarom zijn komst naar Amsterdam een gebeurtenis was.

Anderssen was niet zomaar een sterke buitenlandse gast. Hij was een internationale beroemdheid, een man wiens partijen overal werden bestudeerd en besproken.

Vlaggen op de Beurs van Zocher

De ontvangst in Amsterdam paste bij die reputatie.

De Beurs van Zocher was met vlaggen versierd. Rijtuigen werden ingezet om de beroemde gast op te halen. De Amsterdamse schaakwereld wilde Anderssen een ontvangst bezorgen die bij zijn aanzien paste.

Voor de schaakliefhebbers moet het een feestelijke gebeurtenis zijn geweest. Zij kregen de gelegenheid een van de grootste spelers ter wereld van nabij te zien en mogelijk zelfs tegen hem te spelen.

Maar er was ook een andere kant.

Wie tegenover Anderssen moest plaatsnemen, wist wat hem te wachten kon staan. Zijn tegenstanders hadden in Londen en elders ondervonden hoe genadeloos hij een onnauwkeurigheid kon afstraffen.

En onder de Amsterdamse spelers die hem zouden ontmoeten, bevond zich Maarten van ’t Kruijs.

De winnaar van het nationale toernooi van 1851 had alle reden om vertrouwen te hebben in zijn eigen kunnen. Toch vertelt de overlevering een heel ander verhaal.

Kothe haalt Van ’t Kruijs terug uit Amstelveen

Volgens een later gepubliceerd jubileumverhaal kreeg Van ’t Kruijs er lucht van dat men hem tegenover Anderssen wilde zetten.

Daar zou hij weinig voor hebben gevoeld.

Sterker nog: hij zou Amsterdam hebben verlaten en naar Amstelveen zijn uitgeweken.

Hermann Heinrich Kothe, bestuurder van het Amsterdamsch Schaakgenootschap (AS) en later voorzitter van VAS, werd eropuit gestuurd om Van ’t Kruijs terug te halen.

Kothe kende kennelijk zijn man. Een beroep op diens schaaktrots zou misschien niet voldoende zijn. Daarom richtte hij zich volgens het verhaal op iets anders: zijn broodwinning.

Hij zou Van ’t Kruijs hebben toegesproken met de woorden:

‘Wenn Sie sich noch länger verweigern te spelen, werden unsere Mitglieder keinen einzigen Toer meer beziehen!’

Vrij vertaald: als u nog langer weigert te spelen, zal geen van onze leden nog turf bij u kopen!

De dreiging was even eenvoudig als doeltreffend. Van ’t Kruijs mocht dan weinig voelen voor een confrontatie met Anderssen, het verlies van zijn klanten was een heel andere zaak.

Een uur later zat hij volgens het verhaal:

‘met het angstzweet op het voorhoofd tegenover den grimmigen grootmeester.’

En het krijgt nog een onverwachte wending.

De turfhandelaar verslaat de grootmeester

Op 13 juli 1861 speelde Van ’t Kruijs met wit tegen Anderssen.

Hij begon met een zet die ook tegenwoordig nog als ongebruikelijk geldt:

  1. a3

Na 55 zetten was de uitslag verrassend:

Maarten van ’t Kruijs – Adolf Anderssen: 1–0.

De Amsterdamse turfhandelaar had een van de beroemdste schakers ter wereld verslagen.

De overwinning van Maarten van ’t Kruijs op Adolf Anderssen

De overwinning krijgt extra glans door het verhaal dat eraan voorafgaat. De man die volgens de overlevering met angstzweet achter het bord was verschenen, bleek uiteindelijk in staat de gevreesde grootmeester te verslaan.

Overigens was Van ’t Kruijs over de gehele reeks ontmoetingen niet de sterkste. In acht partijen tegen Anderssen won hij eenmaal, speelde hij tweemaal remise en verloor hij vijfmaal.

Dat doet aan zijn overwinning weinig af. Het laat vooral zien hoe sterk Anderssen was.

Een gewonnen stelling, maar de trein wachtte

De laatste partij werd door van ’t Kruijs overigens remise gegeven in een totaal gewonnen stelling. Anderssen moest een trein halen…

Slotstelling van de laatste partij tussen van ’t Kruijs en Anderssen. wit is aan zet. computerevaluatie +12.

De Amsterdamse turfhandelaar, die volgens de overlevering aanvankelijk nauwelijks tegen de beroemde Duitser durfde te spelen, had hem niet alleen eenmaal verslagen. In hun laatste ontmoeting stond hij zelfs opnieuw op winst.

Een opening met zijn naam

Van ’t Kruijs heeft nog een andere plaats in de schaakgeschiedenis gekregen.

De openingszet 1. e3 staat bekend als de Van ’t Kruijs-opening.

Zijn naam leeft in de openingstheorie voort.

 

Schaken bij verschillende verenigingen

Het Amsterdamse schaakleven was in de negentiende eeuw bepaald niet vrij van bestuurlijke tegenstellingen.

Van ’t Kruijs speelde bij het Amsterdamsch Schaakgenootschap (AS), Philidor en La Bourdonnais & VAS. Die verenigingen hadden ieder hun eigen geschiedenis, ledenkring en bestuur.

In 1873 besloten zowel het Amsterdamsch Schaakgenootschap (AS) als La Bourdonnais tot een fusie. De besturen van beide verenigingen kregen opdracht de samenvoeging uit te voeren. Binnen AS verzette bestuurder Ter Haar zich echter tegen de uitvoering van het besluit.

Vijf jaar later kozen vrijwel alle leden van AS, met uitzondering van Ter Haar, voor een omweg. Zij richtten in 1878 het Nieuw Amsterdamsch Schaakgenootschap op, dat vervolgens vrijwel onmiddellijk met La Bourdonnais fuseerde. Zo ontstond VAS en werd het fusiebesluit uit 1873 alsnog werkelijkheid.

Het oude AS bleef daarna formeel buiten deze samenvoeging. In de praktijk was de vereniging echter vrijwel geheel verdwenen: haar voortbestaan beperkte zich tot de publicaties van Ter Haar.

Van ’t Kruijs had in zijn lange schaakleven verschillende Amsterdamse verenigingen meegemaakt. Zijn naam verbindt daardoor de oudere schaakgezelschappen met de latere geschiedenis van VAS.

Het beeld dat uit zijn schaakloopbaan oprijst, is vooral dat van een man die wilde schaken. Bestuurlijke grenzen lijken hem daarbij niet sterk te hebben gehinderd.

Nederlands kampioen op 65-jarige leeftijd

In 1878 bewees Maarten van ’t Kruijs dat hij nog altijd tot de sterkste schakers van Nederland behoorde. Op 65-jarige leeftijd won hij in Amsterdam het nationale bondstoernooi en mocht hij zich officieus Nederlands schaakkampioen noemen. Hij eindigde vóór J.J. Veraart en Uden Masman.

 

Uit dit toernooi de partij tegen Lev Benima

 

Het was een opmerkelijke prestatie, 27 jaar na zijn overwinning in het eerste nationale schaaktoernooi van 1851 en zeventien jaar na zijn beroemde zege op Adolf Anderssen.

Een leven voor het schaakspel

Maarten van ’t Kruijs overleed op 30 maart 1885 in Amsterdam. Hij werd 72 jaar.

Hij had het Nederlandse schaakleven gedurende tientallen jaren meegemaakt en mede vormgegeven: als sterke speler, winnaar van nationale wedstrijden, deelnemer aan internationale correspondentiepartijen en betrokken lid van verschillende Amsterdamse schaakverenigingen.

VAS benoemde hem tot erelid. Na zijn overlijden kwamen schaakboeken, tijdschriften, borden en stukken uit zijn bezit bij de vereniging terecht.

Dat vormt een passende afsluiting van zijn schaakleven. De man die zoveel jaren achter het bord had doorgebracht, liet ook materiaal na waarmee anderen konden blijven spelen.

Toch zal vooral één gebeurtenis zijn naam blijven dragen in de geschiedenis van het Amsterdamse schaakspel.

In juli 1861 kwam Adolf Anderssen naar Amsterdam. De vlaggen hingen uit, de rijtuigen reden voor en de schaakwereld verdrong zich rond de beroemde bezoeker.

Maarten van ’t Kruijs zou volgens de overlevering het liefst uit zijn buurt zijn gebleven. Kothe moest hem met een dreigement over zijn turfhandel terughalen.

Maar toen de stukken eenmaal op het bord stonden, bleek de Amsterdamse koopman tot meer in staat dan zijn vermeende angst deed vermoeden.

De man die niet tegen Anderssen had willen spelen, versloeg hem.

En daarmee schreef de turfhandelaar uit Amsterdam een van de aardigste hoofdstukken uit de vroege Nederlandse schaakgeschiedenis.

 

 

Overzichtspagina Portretten

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *