VAS derde in KNSB-beker

VAS organiseerde de finale van de KNSB-beker. Dat klinkt gewichtiger dan het is. Vier schaakclubs in een zaaltje, mannen die eruitzien alsof ze belastingaangifte doen, thermoskannen koffie, een bar waarop broodjes langzaam overlijden, en ergens een kind dat met een loper tegen de klok tikt.

Maar voor amateurschakers is dit het equivalent van de Champions League, Wimbledon en de Slag bij Nieuwpoort tegelijk.

En VAS had zich geplaatst.

Dat alleen al was een klein wonder.

Het seizoen was sowieso krankzinnig goed verlopen. Geen enkel team degradeerde — op een schaakclub met negen teams is dat ongeveer hetzelfde als een ziekenhuis zonder infecties — en VAS 1 promoveerde onder leiding van Marc Ghanoum zelfs naar de Meesterklasse. Voor het eerst sinds 1984. In schaaktermen praat je dan over een periode waarin computers nog als huishoudelijke apparaten werden beschouwd en men serieus dacht dat de Siciliaan wellicht weerlegd was.

De route naar die bekerfinale was ondertussen verre van heroïsch geweest. VAS modderde zich erdoorheen als een beschonken aristocraat die per ongeluk toch thuiskomt. Tegen Amsterdam West werd het 2-2 ondanks een ratingverschil dat ongeveer gelijk stond aan Ajax tegen Buitenveldert 7. Daarna volgde snelschaken waarin de VAS’ers eruitzagen alsof ze probeerden een brandend fornuis te demonteren.

Maar goed, ze overleefden.

Tegen Bloemendaal gebeurde iets dat vaker voorkomt bij schakers dan bij gezonde mensen: grootmeesters werden remise gehouden, favorieten gingen ten onder en Luc won ergens op bord vier met “enig fortuin”, een schaakeufemisme voor: de tegenstander kreeg kortstondig een herseninfarct.

Daarna Caïssa-Eenhoorn. Een sympathieke clubnaam alsof een welzijnsinstelling fuseerde met een manege. Opnieuw 2-2. Opnieuw ontsnapte VAS.

En toen HWP Haarlem.

Daar speelde Marc een partij waar schakers later zachtjes over zouden praten alsof zij erbij waren geweest. Rafael stond intussen totaal verloren — morsdood, begraven, rouwkaart gedrukt — maar zoals wel vaker in de schaakwereld bleek de tegenstander nóg banger voor winst dan hijzelf voor verlies. Dus won Rafael alsnog en stond VAS ineens in de bekerfinale.

Dat is het vreemde aan schaken.

Je kunt vier uur lang briljant spelen en verliezen door één zet, maar je kunt ook als een dronken boekhouder over het bord zwalken en ineens een held blijken te zijn.

 

Halve finale

In de halve finale trof VAS het sterke HMC Den Bosch. Een club die eruitziet alsof ze speciaal is ontworpen om Amsterdamse romantici te vernederen. Gemiddelde rating: 2455. Daar lopen mensen rond die op hun twaalfde al wisten hoe een eindspel met ongelijke lopers werkte.

Bij VAS leeft men intellectueler. Daar wordt eerst drie kwartier gesproken over koffie, architectuur, obscure jazzplaten en de vraag waarom iemand vrijwillig de Franse verdediging speelt.

Het verschil was zichtbaar.

Friso speelde met zwart tegen Twan Burg een keurige remise, zo’n partij waar niets gebeurt maar alles voortdurend dreigt. Twee grootmeesters die elkaar aankijken als huurmoordenaars in een Scandinavische serie.

Op de andere borden zag het er minder florissant uit.

Khoi had zich tegen GM Ferreira ingegraven in een stelling die deed denken aan de laatste dagen van Stalingrad. Alles stond verkeerd, stukken hingen, pionnen waren zwak, engines gilden al twintig zetten lang om euthanasie — maar Khoi bleef zitten. Dat doet hij vaker. Hij verdedigt alsof hij persoonlijk beledigd is door de evaluatiebalk.

Tex stond intussen ook verloren. Niet een beetje verloren, maar dat soort verloren waarbij omstanders al beginnen na te denken over hun terugreis. Alleen bleef Tex zetten doen. Kleine irritante zetten. Muggenzetsels. Administratieve sabotage.

En juist daarin schuilt het drama van schaken: gewonnen stellingen moeten nog steeds gewonnen worden.

Dat blijkt voor grootmeesters soms even moeilijk als voor gewone mensen een belastingformulier.

Intussen liep beneden de jeugd rond. Daan Zult gaf simultaan alsof hij auditie deed voor een Sovjet-propagandafilm. Cas had broodjes verzorgd die beter smaakte dan de partijen. En ergens in een hoekje analyseerde Anna-Maja Kazarian live op Twitch de stellingen met die wonderlijke combinatie van vrolijkheid en sadisme die alleen sterke schakers bezitten.

“Ja, dit is eigenlijk gewoon verloren.”

Dat zei ze ongeveer twintig keer.

En telkens bleek het toch ingewikkelder.

Toen gebeurde er iets typisch schaakachtigs. De stelling van Khoi kantelde ineens. Niet geleidelijk, maar abrupt, alsof iemand in de meterkast een schakelaar omzette. Ferreira begon te twijfelen, tijdnood naderde en opeens bleek de dode stelling springlevend.

De aandacht verschoof naar Tex.

Zijn positie was inmiddels veranderd in een architectonisch wrak. Een soort ingestort parkeerdek waarin toevallig nog een koning huisde. Maar Tex bleef verdedigen. En verdedigen. En nog een zet doen.

Tot zijn tegenstander misgreep.

Dat moment is in schaken altijd ontroerend. Vier uur lang genialiteit — en dan ineens een zet die eruitziet alsof iemand per ongeluk op “reply all” heeft gedrukt.

Tex profiteerde onmiddellijk en bereikte remise. Opeens stond het 2-2.

Dus moest er worden gesnelschaakt.

 

Snelschaken

Snelschaken voor teams is nauwelijks sport te noemen. Het lijkt meer op een collectieve zenuwinzinking met digitale klokken.

Toeschouwers lopen nerveus heen en weer, niemand begrijpt iets van de stellingen en voortdurend roept iemand:
“Hij staat gewonnen.”
Waarna diezelfde speler drie seconden later mat gaat.

Khoi verloor. Tex verloor ook. Rafael won daarentegen van Jeroen Bosch — die inmiddels zoveel bekerfinales heeft gespeeld dat hij waarschijnlijk denkt dat Hemelvaart officieel naar de KNSB genoemd is.

Dus kwam alles neer op Friso.

Dat is ook typisch schaken: uiteindelijk rust alle hoop op één man die al vijf uur naar houten poppetjes zit te kijken en inmiddels nauwelijks nog bloed in zijn hersenen heeft.

Friso kreeg een gewonnen stelling. Tenminste, gewonnen volgens de computer — en computers zijn in schaken de laatste jaren een beetje de rol van God gaan spelen. Onzichtbaar, almachtig en voortdurend teleurstellend voor de mensheid.

Maar Friso had nog nauwelijks tijd.

Hij speelde op increment. Dat betekent dat je per zet net genoeg seconden krijgt om langzaam psychisch uiteen te vallen.

De zaal werd stil.

Zelfs de broodjes van Cas werden tijdelijk niet aangeroerd.

En toen gebeurde het.

Niet mat.
Niet een blunder.
Niet een combinatie.

De vlag viel.

Voor buitenstaanders klinkt dat ondramatisch. Voor schakers is het een Griekse tragedie. Je kunt briljant staan, technisch gewonnen, historisch superieur — en toch verliezen omdat een plastic klokje besluit dat je bestaan administratief beëindigd is.

VAS lag eruit.

Maar tegelijkertijd ook weer niet helemaal.

Want het was veertig jaar geleden dat de club zo ver gekomen was. En ergens voelde iedereen dat dit team, ondanks alle chaos, wonderbaarlijk overeind bleef.

Zoals Amsterdam zelf eigenlijk.

 

 

Om de derde plaats

Daarna moest VAS nog spelen om de derde plaats tegen DSC Delft.

Een wedstrijd om de derde plaats is in feite een ceremonieel misverstand. Niemand wil hem spelen. Het is alsof twee mensen die net gedumpt zijn samen verplicht nog een gourmetavond moeten afwerken.

De spelers zaten dan ook achter het bord met de uitstraling van mensen die op Schiphol horen dat hun vlucht nóg drie uur vertraging heeft.

DSC Delft had in de andere halve finale met 3-1 verloren van Paul Keres uit Utrecht en oogde licht beschadigd. Delft is sowieso een schaakstad waar mensen eruitzien alsof ze tussen twee eindspelstudies door een waterbouwkundig probleem oplossen.

Maar de echte finale was natuurlijk al verloren.

Dat voel je aan alles. De adrenaline is weg. De romantiek ook. Alleen de vermoeidheid blijft over en de geur van koffie die al sinds elf uur ’s morgens op een warmhoudplaat staat te overlijden.

Toch gebeurde iets opmerkelijks.

VAS begon ineens uitstekend te spelen.

Misschien juist daarom. Omdat de spanning eruit was. Omdat niemand meer iets verwachtte. Omdat schakers, net als sommige kunstenaars en alcoholisten, vaak beter functioneren zodra alle hoop verdwenen is.

Rafael kreeg in een ingewikkelde stelling een cadeau van zijn tegenstander. Dat gebeurt in schaken vaker dan men denkt. Na vijf uur rekenen verlangen zelfs sterke spelers soms gewoon naar het einde. Dan geven ze ineens een pion weg, een kwaliteit of hun complete waardigheid.

Rafael pakte het punt professioneel aan.

Khoi speelde een salonremise, zo’n partij waarbij beide spelers impliciet afspreken dat het leven al moeilijk genoeg is.

En Tex en Friso wonnen overtuigend.

Opeens stond er 3½-½ op het bord en was VAS derde van Nederland geworden.

Derde van Nederland in de bekercompetitie schaken.

Dat klinkt nog steeds een beetje als een obscure Europese titel curling gemengd dubbelspel, maar binnen de schaakwereld betekent het veel. Mensen onthouden dit soort dingen. Niet exact misschien — schakers vergeten verrassend veel — maar als sfeer, als seizoen, als jaar waarin iets begon te kantelen.

Beneden werden de laatste broodjes van Cas opgegeten. Stoelen schoven over de vloer. Iemand analyseerde nog een variant die niemand meer interesseerde. Op Twitch praatte Anna-Maja nog na over de krankzinnige tijdnoodfase van Friso.

En ergens hing heel even dat prettige gevoel dat iedere schaakclub maar zelden kent:

Dat er misschien iets moois aan het ontstaan is.

HMC won uiteindelijk de beker. Terecht waarschijnlijk. Ze hebben ervaring, routine en mensen die eruitzien alsof ze zelfs tijdens een tandartsbezoek correct rekenen aan toreneindspelen.

Maar VAS had iets anders gewonnen.

Een verhaal.

En schaakclubs bestaan uiteindelijk vooral daarvan.

 

 

1 Comment

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *